De rechtbank Rotterdam heeft op 6 juni 2024 besloten de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar tussentijds te beëindigen. Dit verzoek werd ingediend door een schuldeiser die stelde dat essentiële informatie bij de toelating tot de regeling niet bekend was en dat de schuldenaar moedwillig verhaalsmogelijkheden had onttrokken.
De schuldeiser voerde aan dat de schuldenaar geen vrijwillige betalingen had gedaan, loonbeslagen had ontlopen door ontslag te nemen en een auto op naam van zijn partner had gezet. Tevens zou de schuldenaar niet open zijn over zijn woonsituatie. De schuldenaar betwistte deze stellingen en stelde dat de rechtbank bij toelating op de hoogte was van de vordering en dat er wel betalingen waren gedaan.
De rechtbank oordeelde dat de feiten die aan de orde waren bij de voorzieningenrechter op 2 december 2021, waaronder het bewust frustreren van verhaalsmogelijkheden, niet aan de toelatingsrechter waren voorgelegd. Indien deze informatie bekend was geweest, zou de toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen. Daarom werd de regeling tussentijds beëindigd en het salaris van de bewindvoerder vastgesteld.