Eisers zijn eigenaar van een bedrijfsruimte die begin 2024 te huur werd aangeboden. Gedaagde toonde interesse en bezichtigde de ruimte meerdere keren, waarna eisers stellen dat op 5 april 2024 een mondelinge huurovereenkomst tot stand kwam. Gedaagde betwist dit en stelt dat geen overeenstemming is bereikt en dat hij eerst het concept van de huurovereenkomst wilde beoordelen.
De kantonrechter overweegt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding, die niet per se schriftelijk hoeft te zijn. De verklaringen van eisers over een mondelinge overeenkomst worden echter betwist door gedaagde, en de makelaar zijn verklaring is onvoldoende gedetailleerd. In kort geding is geen ruimte voor bewijslevering, waardoor onvoldoende aannemelijk is dat een huurovereenkomst is gesloten.
Ook de belangenafweging leidt niet tot toewijzing van de eis. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. De vordering wordt afgewezen.