ECLI:NL:RBROT:2024:6452

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
11 juli 2024
Zaaknummer
C/10/677098 / HA ZA 24-302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 678 RvArt. 93 RvArt. 133 lid 4 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens bevoegdheidskwestie

In deze civiele procedure vordert de vrouw betaling van een bedrag van €12.214,00 van de man, samenhangend met eigenaarslasten na de verkoop van een gezamenlijk bewoonde woning. De man stelt dat de rechtbank niet bevoegd is omdat het een geldvordering betreft die onder de kantonrechter valt vanwege de hoogte van de vordering.

De rechtbank oordeelt dat de vordering inderdaad geen verdelingsvordering is en dat de overwaarde reeds is verdeeld. Gelet op het bedrag van de vordering is de rechtbank niet bevoegd en dient de zaak door de kantonrechter behandeld te worden. De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing toe en veroordeelt de vrouw in de kosten van het incident.

De zaak wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken, waarbij partijen worden geïnformeerd over het verdere verloop en de mogelijkheid om zonder advocaat te verschijnen. Het teveel betaalde griffierecht wordt teruggestort.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter en veroordeelt de vrouw in de kosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/677098 / HA ZA 24-302
Vonnis in incident van 10 juli 2024
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ( [land] ),
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. K. Hoesenie te Rotterdam.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 maart 2024, met producties 1 tot en met 5;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdheid, met producties 1 en 2.
1.2.
Op 12 juni 2024 is de vrouw in het incident op grond van artikel 133 lid 4 Rv Pro akte niet-dienen verleend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in de hoofdzaak

2.1.
In de hoofdzaak vordert de vrouw in conventie – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 12.214,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
de man te veroordelen in de kosten van het geding.
2.2.
In reconventie vordert de man – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen om aan de man een gebruiksvergoeding te betalen gelijk aan de woonlasten waarvoor de man draagplichtig is;
de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

3.Het geschil in het incident

3.1.
De man vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de door de vrouw ingestelde vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit incident.
3.2.
De man legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. De rechtbank (sector civiel) is niet bevoegd omdat de vordering van de vrouw geen vordering tot het gelasten van de wijze van verdeling of het vaststellen van de verdeling zoals genoemd in artikel 678 Rv Pro betreft, maar een geldvordering. Gelet op de hoogte van de vordering is de rechtbank (sector civiel) niet bevoegd om hiervan kennis te nemen. Als de vrouw de vordering had aangebracht bij de kamer voor kantonzaken, dan zou de man geen griffierecht verschuldigd zijn geweest, aldus de man.
3.3.
Hieruit volgt dat de man kennelijk bedoelt dat de rechtbank (sector civiel) de zaak moet verwijzen naar de kantonrechter. De incidentele vordering van de man zal dan ook worden begrepen als een vordering tot verwijzing van de zaak naar de kamer voor kantonzaken.
3.4.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk hebben partijen gezamenlijk een woning gekocht. De woning is op 6 mei 2022 verkocht voor een bedrag van € 320.000,00. De overwaarde - een bedrag van € 210.535,00 - is bij helfte tussen partijen verdeeld. In de hoofdzaak stelt de vrouw zich op het standpunt dat de eigenaarslasten die zij na de peildatum heeft betaald voor de helft voor de rekening van de man komen. De vrouw vordert in dat kader van de man een bedrag van € 12.214,00.
De vordering van de vrouw betreft inderdaad, zoals de man aanvoert, geen vordering tot het gelasten van de wijze van verdeling of het vaststellen van de verdeling. De overwaarde is immers reeds verdeeld. Er is geen sprake meer van een nog onverdeelde gemeenschap.
Partijen verkeren echter kennelijk beiden in de veronderstelling dat als in casu wél een vordering tot verdeling was ingesteld, de rechtbank (sector civiel) bevoegd zou zijn, onafhankelijk van het beloop (het geldelijk belang) van die verdelingsvordering. Die opvatting is onjuist. In het geval dat een verdelingsvordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00 dan is daarmee de bevoegdheid van de kantonrechter gegeven. Ingevolge artikel 93 aanhef Pro en sub a en b Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, en zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00, door de kantonrechter behandeld en beslist.
4.2.
In het onderhavige geval gaat het, zoals reeds opgemerkt, niet om een verdelingsvordering, maar om een geldvordering. Ook in casu moet, uiteraard, voor de bevoegdheid van de rechter worden gekeken naar het beloop van de vordering.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de onderhavige zaak, gelet op het beloop van de vordering, verder te worden behandeld en beslist door de kantonrechter. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
4.4.
Nu de vrouw de zaak ten onrechte niet bij de kamer voor kantonzaken heeft aangebracht zal de vrouw worden veroordeeld in de kosten van het incident.
4.5.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu de vordering is gegrond op de wet en niet is weersproken.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering tot verwijzing naar de kamer voor kantonzaken toe,
5.2.
veroordeelt de vrouw in de kosten van het incident, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 614,00,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op
donderdag 25 juli 2024,
5.5.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
5.6.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.7.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.
3304/638