De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De tenlastelegging betrof handelingen gepleegd rond 24 juni 2023 met een slachtoffer dat destijds jonger was dan zestien jaar.
Tijdens de terechtzitting op 20 juni 2024 werd het bewijs besproken. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier maanden. De belastende verklaring van het vermeende slachtoffer stond tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. Hoewel er enig steunbewijs was, zoals de verklaring van het vierjarige zusje van het slachtoffer, was het onduidelijk waar deze kennis vandaan kwam.
De rechtbank oordeelde dat het aanwezige bewijs onvoldoende overtuigend was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het ten laste gelegde. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis ondertekenden. De oudste en jongste rechter waren niet in staat mede te ondertekenen.
De zaak benadrukt het belang van overtuigend bewijs bij strafzaken met jonge slachtoffers en de zorgvuldige afweging van verklaringen en steunbewijs door de rechtbank.