De zaak betreft een huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde 1 voor een woning met een afgesproken huurperiode van 15 juli 2022 tot 30 november 2022. Vanaf augustus 2022 huurt gedaagde 2, werknemer van gedaagde 1, een kamer in de woning. Eiser stelt dat er een aanzienlijke huurachterstand is en vordert betaling, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.
De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst vanaf december 2022 stilzwijgend is verlengd voor onbepaalde tijd, omdat eiser niet tijdig schriftelijk heeft geïnformeerd over het einde van de overeenkomst. De stelling van wederzijds goedvinden tot beëindiging wordt verworpen wegens gebrek aan aparte handeling.
Gedaagde 1 heeft een huurachterstand van €14.425,00 tot en met oktober 2023, die onbetwist is. De borg kan niet worden verrekend met de achterstand. De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstige betalingsachterstand en gedaagde 1 moet de woning binnen veertien dagen ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen tot ontruiming.
Gedaagde 2 kan geen beroep doen op huurbescherming omdat zij slechts een kamer huurt en geen zelfstandige woonruimte. Zij wordt veroordeeld de ontruiming te gehengen en gedogen. Daarnaast moet gedaagde 1 rente en beperkte incassokosten betalen. Gedaagde 1 en 2 worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.