De rechtbank Rotterdam ontving een verzoek van de Oostenrijkse rechtbank van Liesing om de bevoegdheid te aanvaarden inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over een minderjarige met Bulgaarse nationaliteit, die sinds oktober 2022 zijn gewone verblijfplaats in Rotterdam heeft.
De ouders hebben gezamenlijk ouderlijk gezag en zijn doof, evenals de minderjarige die cochleaire implantaten draagt. De moeder verhuisde met het kind naar Nederland, waarna de vader meerdere verzoeken tot teruggeleiding indiende, die uiteindelijk werden ingetrokken. De Raad voor de Kinderbescherming begeleidde een hereniging en rapporteerde geen zorgen over de ontwikkeling van het kind.
De rechtbank oordeelt dat de minderjarige een bijzondere band met Nederland heeft en dat het in zijn belang is dat de Nederlandse rechter de bevoegdheid uitoefent, vanwege de praktische voordelen en de mogelijkheid tot efficiëntere besluitvorming. De Oostenrijkse procedure wordt niet overgedragen; een nieuw verzoek moet in Nederland worden ingediend.
De beschikking is gegeven door kinderrechter M.B. van den Enden en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.