Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- dhr. [persoon A] , een vriend van verzoekster;
- mw. [persoon B] en mw. [persoon C] , beiden werkzaam bij Avres (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuld van €388.770,74, voornamelijk voortkomend uit vorderingen van de kinderen van haar overleden echtgenoot. Na een langdurige nalatenschapsprocedure is vastgesteld dat de vorderingen opeisbaar zijn geworden in 2010. Verzoekster heeft sindsdien geen pogingen ondernomen om deze schulden te voldoen en heeft bewust geld uitgegeven om verhaal te frustreren.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, mede omdat zij na het vonnis van 31 augustus 2022 passief bleef en geen betalingsregeling zocht. Ook toont zij geen saneringsgezinde houding, aangezien zij het verzoek lijkt te gebruiken om betaling aan schuldeisers te voorkomen. Er is slechts beslag gelegd door één schuldeiser en geen andere schuldeisers zijn betrokken.
Hoewel verzoekster medische klachten heeft aangevoerd, is geen verband vastgesteld dat haar situatie rechtvaardigt om alsnog tot schuldsanering toe te laten. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Snel-van den Hout op 25 juni 2024. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw en saneringsgezinde houding.