ECLI:NL:RBROT:2024:6638

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 mei 2024
Publicatiedatum
17 juli 2024
Zaaknummer
FT RK 24/410 en FT RK 24-411
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening ter opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldsanering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. Hij verkeert in financiële problemen door beslagen op zijn salaris en heeft een stabilisatieovereenkomst getekend bij schuldhulpverlening. Sinds april 2024 staat hij onder budgetbeheer en worden de huurtermijnen tijdig betaald.

Verweerster betwist het verzoek vanwege eerdere betalingsachterstanden en twijfels over toekomstige betaling. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald worden en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject doorgang kan vinden. Daarom wordt de voorlopige voorziening onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, waarbij de huurovereenkomst wordt verlengd. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek later.

Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 24 mei 2024
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 18 april 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 april 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 mei 2024.
Ter zitting van 17 mei 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [persoon B] , schuldhulpmaatje;
  • de heer [persoon C] , werkzaam bij Stichting Wooncompas;
  • de heer [persoon D] , ook werkzaam bij Stichting Wooncompas, gevestigd te Ridderkerk (hierna: verweerster).
[persoon E] , werkzaam bij Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders, heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is door problemen in zijn privé-sfeer in de financiële problemen gekomen. Door beslagen op het salaris van verzoeker zijn er achterstanden ontstaan die hij zelf niet meer kon oplossen. Hierna heeft verzoeker zich bij de Kredietbank gemeld en een stabilisatieovereenkomst getekend om een oplossing te vinden voor zijn schulden. Vanaf april 2024 staat verzoeker onder budgetbeheer en worden de lopende huurtermijnen volledig en tijdig betaald. Ter zitting is vastgesteld dat de huur van januari, februari, april en mei 2024 is betaald. Schuldhulpverlening heeft toegezegd de huur voor de maand juni ook tijdig en volledig te kunnen betalen. Bovendien krijgt verzoeker hulp van een schuldhulpmaatje waar hij goed contact mee houdt.

3.Het verweer

Verweerster stelt – samengevat – dat verzoeker al langere tijd een huurachterstand heeft en dat het moeilijk is om contact met hem op te nemen. Eerdere afspraken over betalingsregelingen werden door verzoeker niet naar behoren nagekomen. Hierdoor heeft verweerster geen vertrouwen erin dat de huur in de toekomst wél op tijd en volledig betaald zal worden. Bovendien vreest verweerster dat de woning te duur is voor verzoeker. Verweerster vindt dan ook dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 8 april 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 april 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 24 oktober 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker staat onder budgetbeheer sinds april 2024 en houdt contact met een schuldhulpmaatje waardoor de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende is gewaarborgd. De huur voor de maanden januari, februari, april en mei 2024 zijn dan ook volledig betaald. Verweerster heeft de ontvangst van de huurtermijnen over deze maanden bevestigd. De huur voor de maand juni 2024 zal (ook) middels budgetbeheer worden voldaan. Bovendien heeft schuldhulpverlening ter zitting toegezegd dat de gevraagde termijn van zes maanden voldoende tijd is om een minnelijke regeling met de schuldeisers te bewerkstelligen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 24 oktober 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te Ridderkerk, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
19 april 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2024.