ECLI:NL:RBROT:2024:6675

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juli 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
ROT 24/5884
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting Ziektewetuitkering door UWV

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 17 mei 2024 stop te zetten. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitkering te behouden tijdens de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoeker beperkingen heeft, maar op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en een arbeidsdeskundig rapport kan verzoeker passende arbeid verrichten waarmee hij meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kan verdienen. Verzoeker stelt dat hij meer klachten heeft en niet kan werken, en dat hij financieel in problemen komt omdat hij alleen van het inkomen van zijn partner moet rondkomen.

De rechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat er geen acute of onomkeerbare financiële nood dreigt, ondanks de moeilijke financiële situatie en schulden. Ook is het besluit niet evident onrechtmatig, aangezien het UWV voldoende gemotiveerd heeft waarom verzoeker passende arbeid kan verrichten. Verzoeker kan tijdens de bezwaarprocedure nog medische informatie aanleveren.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, wat betekent dat de stopzetting van de uitkering niet wordt geschorst. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen stopzetting van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5884

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).

Inleiding

1.1.
Met het primaire besluit van 15 april 2024 heeft het UWV de Ziektewet (ZW-) uitkering van verzoeker stopgezet vanaf 17 mei 2024. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.2.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 4 juli 2024 heeft verzoeker een overzicht van inkomsten en vaste lasten ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het UWV. Verzoeker is met een bericht van verhindering niet verschenen.

Totstandkoming van het besluit

2. Vanwege een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht. In de rapportage van 16 november 2023 heeft de verzekeringsarts toegelicht dat verzoeker beperkingen heeft door ziekte of gebrek en heeft deze beperkingen vastgesteld in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2023. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige vervolgens uiteengezet dat verzoeker zijn eigen arbeid niet meer kan verrichten. Verzoeker kan met zijn mogelijkheden en beperkingen wel passende functies verrichten, waarmee hij meer dan 83,54% (en daarmee meer dan 65%) kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Daarbij heeft verzoeker de rechtbank ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

3. Verzoeker is het niet eens met het primaire besluit en voert aan dat hij meer klachten heeft dan het UWV heeft vastgesteld. Hij kan niet werken en wordt door het primaire besluit gedwongen te gaan werken, wat zijn gezondheid negatief zal beïnvloeden. Financieel lukt het niet om alleen van het inkomen van zijn partner rond te komen. Verzoeker heeft geen recht op een bijstandsuitkering, omdat zijn partner inkomen uit arbeid heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist, waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. In deze zaak gaat het om een financieel geschil. In zo’n geval geldt dat er geen spoedeisend belang is als er geen onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood).
6. Verzoeker heeft schriftelijk uiteengezet dat hij financieel in de problemen komt omdat hij geen uitkering ontvangt. Met alleen het inkomen van zijn partner (van netto € 2.674,15) komt hij financieel niet rond. Verzoeker en zijn partner kampen met een beslaglegging op hun inkomen en hebben meerdere openstaande schulden en boetes. Verzoeker verwijst hiervoor naar een op 4 juli 2024 ingediend overzicht van vaste lasten.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het inkomen van verzoekers partner hoger is dan een bijstandsuitkering voor gehuwden. [1] Hoewel de voorzieningenrechter uit wat verzoeker aanvoert begrijpt dat de financiële situatie van verzoeker moeilijk is, levert dat op zichzelf nog geen grote spoed op waardoor niet kan worden gewacht op de beslissing op bezwaar. Dat verzoeker schulden of openstaande boetes heeft, maakt dat op dit moment niet anders. Er zal (op verzoek) bij de aflossing van de schulden rekening moeten worden gehouden met de beslagvrije voet. Niet is gebleken van een (op korte termijn te verwachten) onomkeerbare situatie.
8. Nu verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het UWV evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel. In de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige is inzichtelijk toegelicht dat en waarom verzoeker in staat is om passende arbeid te verrichten. Verzoeker heeft geen nadere medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het UWV een onvolledig beeld van zijn medische situatie heeft gehad. Voor zover verzoeker nadere medische stukken heeft, wijst de voorzieningenrechter verzoeker er op dat het hem vrij staat die stukken tijdens de bezwaarprocedure alsnog in te dienen bij het UWV.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit (waarin verzoekers ZW-uitkering is stopgezet) niet wordt geschorst.
10. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op 1 januari 2024 is dat € 1.869,21 (voor volwassenen die gehuwd zijn of samenwonen, tot aan de AOW-leeftijd).