ECLI:NL:RBROT:2024:6675
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting Ziektewetuitkering door UWV
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 17 mei 2024 stop te zetten. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitkering te behouden tijdens de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoeker beperkingen heeft, maar op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en een arbeidsdeskundig rapport kan verzoeker passende arbeid verrichten waarmee hij meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kan verdienen. Verzoeker stelt dat hij meer klachten heeft en niet kan werken, en dat hij financieel in problemen komt omdat hij alleen van het inkomen van zijn partner moet rondkomen.
De rechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat er geen acute of onomkeerbare financiële nood dreigt, ondanks de moeilijke financiële situatie en schulden. Ook is het besluit niet evident onrechtmatig, aangezien het UWV voldoende gemotiveerd heeft waarom verzoeker passende arbeid kan verrichten. Verzoeker kan tijdens de bezwaarprocedure nog medische informatie aanleveren.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, wat betekent dat de stopzetting van de uitkering niet wordt geschorst. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen stopzetting van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet evident onrechtmatig besluit.