Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan vijftien concurrente schuldeisers, waarbij een betaling van 9,38% van de totale schuld werd voorgesteld. Veertien schuldeisers stemden hiermee in, maar één schuldeiser, vertegenwoordigd door Intrum, weigerde mee te werken vanwege de korte afbetalingsperiode en de langdurige betalingsverplichting.
De rechtbank constateert dat de vordering van de weigerende schuldeiser slechts 6,43% van de totale schuldenlast bedraagt en dat het akkoord door een onafhankelijke partij is getoetst en goed gedocumenteerd is. Verzoekster volgt een mbo-3 opleiding en heeft een afloscapaciteit gelijkgesteld aan een Participatiewet-uitkering gedurende haar studie, met uitzicht op een hogere afloscapaciteit na afronding.
De rechtbank acht het voorstel het uiterste dat verzoekster kan bieden en weegt de belangen af. Gezien de stabiele situatie van verzoekster, de instemming van de meerderheid van schuldeisers en de nadelen van een wettelijke schuldsaneringsregeling, oordeelt de rechtbank dat de belangen van verzoekster en de andere schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigerende schuldeiser.
Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser in te stemmen met de schuldregeling, veroordeelt deze in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.