ECLI:NL:RBROT:2024:6728
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering en woonkostentoeslag door het Dagelijks Bestuur van GR Sociaal. De intrekking is gebaseerd op de constatering dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met de vader van haar kind, waardoor zij geen recht heeft op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder.
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de ex-partner sinds 21 mei 2024 op het uitkeringsadres staat ingeschreven en dat er diverse persoonlijke bezittingen van hem in de woning aanwezig zijn. Dit duidt erop dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning van verzoekster. De voorzieningenrechter acht de aanwezigheid van kleding en het feit dat hij tijdens het huisbezoek werd aangetroffen in de woning overtuigend bewijs voor een gezamenlijke huishouding.
Verzoekster voerde aan dat de inschrijving slechts een postadres betrof en dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar dit verweer werd verworpen. De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering en woonkostentoeslag wordt afgewezen.