Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 9 januari 2024, met bijlagen 1 tot en met 6;
- de bijlagen 1 tot en met 17 van [gedaagde01] ;
- de mondelinge behandeling op 22 januari 2024;
- de pleitnota van mr. Cordesius.
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure vordert eiser terugbetaling van €80.000,00 die hij aan gedaagde heeft geleend. Eiser stelt dat het om een persoonlijke lening gaat, terwijl gedaagde betwist dat dit het geval is en spreekt van een zakelijke lening. Tevens betwist gedaagde het spoedeisend belang van eiser.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een persoonlijke lening. Dit volgt onder meer uit het feit dat partijen ook een zakelijke geldleningsovereenkomst hebben gesloten, het geleende bedrag is gebruikt voor zakelijke doeleinden van Omnigen B.V., en eiser zijn vordering heeft ingediend bij de curator van Omnigen. Ook is sprake van mogelijke misbruik van omstandigheden bij het ondertekenen van de schuldverklaring.
Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom onmiddellijke beslissing noodzakelijk is, en beslaglegging kan ook zonder toewijzing van de vordering plaatsvinden.
De voorzieningenrechter wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van de vermeende persoonlijke lening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en gebrek aan spoedeisend belang.