ECLI:NL:RBROT:2024:6855
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens Participatiewet
Verzoeker heeft een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend die door Stroomopwaarts is afgewezen op grond van het vermoeden van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-vriend, wat leidt tot een gezamenlijk inkomen boven de bijstandsnorm.
De voorzieningenrechter heeft het spoedeisende verzoek tot voorlopige voorziening behandeld en geoordeeld dat Stroomopwaarts in redelijkheid mocht concluderen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding op basis van artikel 3, vierde lid, onder d van de Participatiewet. Dit vermoeden is gebaseerd op de fiscale registratie als partners in de aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023.
Hoewel verzoeker ontkent een gezamenlijke huishouding te voeren en een afzonderlijke belastingaangifte heeft ingediend, verandert dit niets aan de fiscale partnerregistratie die het vermoeden bevestigt.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het primaire besluit te schorsen en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er worden geen proceskosten toegekend en het besluit van Stroomopwaarts blijft naar verwachting in stand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat terecht is geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.