ECLI:NL:RBROT:2024:7088
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vaststelling aanvullende beurs op basis van toetsingsinkomen ouders
De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin de aanvullende beurs voor 2023 op € 6,56 per maand is vastgesteld. Hij stelt dat het inkomen van zijn moeder ten onrechte is meegeteld en dat hij recht heeft op een hogere aanvullende beurs. Tevens betoogt hij dat de minister had moeten beslissen op zijn verzoek om verlenging van de prestatiebeurs vanwege studievertraging door een ernstig verkeersongeval en Covid-19.
De rechtbank overweegt dat de minister de aanvullende beurs terecht heeft vastgesteld op basis van het toetsingsinkomen van de ouders over het peiljaar 2021, conform artikel 3.8 en 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000. De aanvraag van eiser om het inkomen van zijn moeder buiten beschouwing te laten is afgewezen en niet bestreden. Daarnaast is geen aparte aanvraag ingediend voor verlenging van de studiefinanciering, zoals vereist volgens artikel 5:2b van de Wsf 2000.
De rechtbank concludeert dat de minister het besluit op juiste gronden heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.G.L. de Vette op 2 augustus 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de aanvullende beurs wordt ongegrond verklaard.