Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 315.915,- en van het onder 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie ten aanzien van feit 2
5.Waardering van het bewijs
De rechtbank ziet, mede op basis van het geschetste uitgavenpatroon en de hoogte van het door de medeverdachte uitgegeven bedrag, geen reden om te twijfelen aan het door de gemeente Den Haag berekende schadebedrag. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aannemelijk is dat niet alle contante betalingen konden worden getraceerd. De medeverdachte is daarom schuldig geacht aan verduistering en gewoontewitwassen van het volledige schadebedrag van € 640.970,12.
temelden.
6.Strafbaarheid feiten
1.medeplegen van gewoontewitwassen;
7.Strafbaarheid verdachte
8.Motivering straf
9.In beslag genomen voorwerpen
10.Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Bijlagen
13.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
€ 640.970,12 (zegge: zeshonderdveertigduizend negenhonderdzeventig euro en twaalf cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de gemeente Den Haag te
betalen € 640.970,12((hoofdsom,
zegge: zeshonderdveertigduizend negenhonderdzeventig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 640.970,12 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
360 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;