Eiseres had een bijstandsuitkering die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd ingetrokken per 11 november 2019, met terugvordering over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 10 november 2019. De terugvordering werd verhoogd met loonbelasting en premies volksverzekeringen, berekend volgens de Rekenregels en handleiding loonheffingen 2020 van de Belastingdienst.
Eiseres voerde aan dat de brutering onjuist was berekend, met name dat de loonheffingskorting tijdsevenredig toegepast had moeten worden vanwege gebroken kalendermaanden. De rechtbank benoemde een deskundige die concludeerde dat de brutering correct was toegepast en dat er geen sprake was van gebroken kalendermaanden in de zin van de Rekenregels.
Tijdens de procedure bereikten partijen een minnelijke regeling over de periode van 11 november 2019 tot en met 23 januari 2020, waarbij de intrekking van de bijstand per 11 november 2019 niet in stand kon blijven. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de intrekking betrof en bepaalde dat eiseres recht heeft op bijstand over die periode.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met 21 maanden was overschreden, waarop de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- toekende. Ook werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 3.062,50 en de Staat tot betaling van € 82,05 aan proceskosten in verband met het schadevergoedingsverzoek.