Eiseres ontving sinds 2008 een bijstandsuitkering en kreeg in 2020 een terugvordering opgelegd vanwege het niet melden van een nabestaandenpensioen. De gemeente had de terugvordering gebruteerd met loonbelasting en premies volksverzekeringen volgens de Rekenregels van de Belastingdienst. Eiseres betwistte de hoogte van het bruteringpercentage en de toepassing van de loonheffingskorting, met name de tijdsevenredige berekening.
De rechtbank benoemde een deskundige die concludeerde dat de gemeente de brutering correct had berekend en de Rekenregels juist had toegepast. De rechtbank volgde dit oordeel en wees erop dat er geen sprake was van gebroken kalendermaanden, waardoor de loonheffingskorting niet tijdsevenredig hoefde te worden toegepast. Ook het betoog dat het bruteringpercentage van circa 59% onredelijk hoog was, werd verworpen.
Daarnaast stelde eiseres een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank constateerde een overschrijding van 23 maanden en kende een schadevergoeding van € 2.000 toe, waarvan een deel voor rekening van de gemeente en een deel voor rekening van de Staat komt. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden deels toegewezen in verband met het verzoek om schadevergoeding.