ECLI:NL:RBROT:2024:7394
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens disciplinaire straf en maatregel
De veroordeelde is op grond van een onherroepelijk Oostenrijks vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan de uitvoering in Nederland plaatsvindt. De veroordeelde kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling op 6 augustus 2024. Het Openbaar Ministerie verzocht op 5 juli 2024 om uitstel van deze invrijheidsstelling voor 120 dagen, mede op basis van rapportages van de reclassering en penitentiaire inrichting.
Tijdens de openbare terechtzitting van 18 juli 2024 werd de vordering besproken. De verdediging betwistte het verzoek en stelde dat de veroordeelde onschuldig moet worden geacht ten aanzien van de disciplinaire straffen die tot terugplaatsing leidden. De penitentiaire inrichting had echter meerdere incidenten geregistreerd, waaronder overtreding van huisregels en niet-naleving van afspraken, wat leidde tot een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting en degradatie naar het basisprogramma.
De reclassering adviseerde uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat de veroordeelde geen werk had en geen controleerbaar inschrijfadres kon overleggen. De rechtbank concludeerde dat de disciplinaire straf en maatregel nog van kracht zijn en kende het verzoek toe voor een termijn van 120 dagen, met als doel de veroordeelde de gelegenheid te geven een werkplek en een inschrijfadres te vinden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe voor 120 dagen vanwege disciplinaire straf en maatregel.