ECLI:NL:RBROT:2024:7394

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 augustus 2024
Publicatiedatum
12 augustus 2024
Zaaknummer
VI-zaaknummer: 99/000626-45
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens disciplinaire straf en maatregel

De veroordeelde is op grond van een onherroepelijk Oostenrijks vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan de uitvoering in Nederland plaatsvindt. De veroordeelde kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling op 6 augustus 2024. Het Openbaar Ministerie verzocht op 5 juli 2024 om uitstel van deze invrijheidsstelling voor 120 dagen, mede op basis van rapportages van de reclassering en penitentiaire inrichting.

Tijdens de openbare terechtzitting van 18 juli 2024 werd de vordering besproken. De verdediging betwistte het verzoek en stelde dat de veroordeelde onschuldig moet worden geacht ten aanzien van de disciplinaire straffen die tot terugplaatsing leidden. De penitentiaire inrichting had echter meerdere incidenten geregistreerd, waaronder overtreding van huisregels en niet-naleving van afspraken, wat leidde tot een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting en degradatie naar het basisprogramma.

De reclassering adviseerde uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat de veroordeelde geen werk had en geen controleerbaar inschrijfadres kon overleggen. De rechtbank concludeerde dat de disciplinaire straf en maatregel nog van kracht zijn en kende het verzoek toe voor een termijn van 120 dagen, met als doel de veroordeelde de gelegenheid te geven een werkplek en een inschrijfadres te vinden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe voor 120 dagen vanwege disciplinaire straf en maatregel.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam
Team straf 3
VI-zaaknummer: 99/000626-45
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsman mr. C.P. Timmers, advocaat te Middelharnis.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de Judgement of the Regional Court of Innsbruck te Oostenrijk van 3 oktober 2012 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twee jaar. De overlevering van de straf aan Oostenrijk is geweigerd bij beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de Rechtbank Amsterdam op 27 juni 2023 (13/077457-23).
De veroordeelde komt in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 6 augustus 2024.

Vordering

Op 5 juli 2024 heeft het Openbaar Ministerie een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van honderdtwintig dagen of zoveel korter als noodzakelijk om een uitvoerbaar plan van aanpak op te stellen.
Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 19 juni 2024 van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering) en het advies van de penitentiaire inrichting waar de veroordeelde op dat moment verbleef d.d. 23 mei 2024 (hierna ook: VI-advies). Ook beschikt de rechtbank over de besluiten van de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht en over enkele e-mails die op een later moment zijn verstuurd door de reclassering en die penitentiaire inrichting.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 18 juli 2024.
De officier van justitie mr. B. van Heemst en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De veroordeelde en de raadsman hebben verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging bezwaar heeft gemaakt tegen de disciplinaire straffen en maatregelen die ten grondslag liggen aan de terugplaatsing van de veroordeelde binnen de penitentiaire inrichting. Tot de uitspraak daarvan dient te worden uitgegaan van zijn onschuld en komt hij derhalve in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Beoordeling

Op 23 mei 2024 heeft de Penitentiaire Inrichting te Veenhuizen Esserheem positief geadviseerd over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling met bijzondere voorwaarden. Uit het VI-advies blijkt dat de veroordeelde tot op dat moment goed gedrag vertoonde en geen disciplinaire straffen of maatregelen opgelegd had gekregen. De reclassering heeft op 19 juni 2024 eveneens positief geadviseerd over de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte.
De veroordeelde is op 16 mei 2024 in de Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) van de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht geplaatst. Hierna is volgens de penitentiaire inrichting sprake geweest van meerdere incidenten. Dit betreft onder meer het overtreden van de huisregels voor wat betreft het bezit van een mobiele telefoon, het niet houden aan afspraken zoals structureel te laat komen tijdens activiteiten en het niet aanspreekbaar zijn op het gedrag. Als gevolg hiervan is aan veroordeelde een disciplinaire straf van 7 dagen opsluiting in eigen cel of verblijfsruimte opgelegd en is een besluit tot degradatie naar het basisprogramma voor de duur van 6 weken genomen. Hierdoor heeft hij zijn werk verloren. De rapportages zijn per e-mail van 5 juli 2024 door [persoon A] , senior casemanager van de BBA in de Penitentiaire Inrichting te [persoon A] , toegelicht.
Naar aanleiding van deze terugplaatsing heeft de reclassering per e-mail van 5 juli 2024 het Openbaar Ministerie geïnformeerd dat de veroordeelde op dit moment niet voldoet aan de basisvoorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, omdat hij geen werk heeft en zich niet kan inschrijven op een adres. Hoewel de veroordeelde heeft aangegeven te kunnen verblijven bij zijn stiefvader, heeft de reclassering dit adres niet kunnen controleren. Gelet hierop adviseert de reclassering uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Nu aan de veroordeelde een disciplinaire straf en een maatregel zijn opgelegd, en het de rechtbank niet is gebleken dat deze thans niet meer van toepassing zijn, zal de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling worden toegewezen. Conform het verzoek van de officier van justitie zal deze vordering worden toegewezen voor de duur van honderdtwintig dagen, of zoveel korter als nodig is voor het opstellen van een plan van aanpak. Op deze manier wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld om opnieuw een baan en een inschrijfadres te vinden.

BeslissingDe rechtbank:

wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een termijn van honderdtwintig (120) dagen of zoveel korter als nodig is voor het opstellen van een plan van aanpak.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter,
en mrs. D. van Kralingen en E.A. van Beelen, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.R. de Graaf en E.P. de Jong, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 augustus 2024.