Eiser ontvangt sinds 2009 een Wajong-uitkering en kreeg op 18 augustus 2021 een werkplan van het UWV voor re-integratie. Eiser maakte bezwaar tegen dit werkplan en stelde beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Het UWV nam uiteindelijk op 23 juni 2022 een besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het UWV inmiddels heeft beslist.
De rechtbank onderzoekt ambtshalve of het werkplan een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. Volgens vaste jurisprudentie is een werkplan alleen een besluit als het gericht is op een zelfstandig rechtsgevolg. De rechtbank stelt vast dat het werkplan geen helder, ondubbelzinnig en voldoende bepaald rechtsgevolg beoogt, omdat het geen wijziging in de rechtspositie van eiser inhoudt.
Daarom is het bezwaar tegen het werkplan ten onrechte ongegrond verklaard en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af en wijst proceskosten en verletkosten toe op grond van het ontbreken van beroepsmatige rechtsbijstand en onvoldoende bewijs van inkomensverlies.