De eiseres trad op 29 januari 2024 in dienst bij STI als tandartsassistente voor bepaalde tijd. Op 1 april 2024 ontving zij een e-mail waarin werd gesteld dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet zoals verwacht, gevolgd door een waarschuwing wegens te laat komen. De eiseres protesteerde tegen de beëindiging en startte een procedure. STI erkende later dat de arbeidsovereenkomst was voortgezet en verzocht haar op 6 mei 2024 weer te komen werken.
Eiseres verscheen echter niet op het werk op 6 mei 2024, waarna STI haar op die dag op staande voet ontsloeg. In kort geding vorderde zij wedertewerkstelling, loonbetaling over april en mei 2024, loonspecificaties, wettelijke verhoging en rente. De kantonrechter wees de wedertewerkstellingsvordering af omdat STI had bevestigd dat eiseres weer mocht komen werken en zij geen belang meer had.
De loonvordering over april 2024 was voldaan, maar betaling over 1 tot en met 6 mei 2024 was nog niet gedaan. STI werd veroordeeld dit loon met wettelijke verhoging en rente te betalen. De loonvordering vanaf 7 mei 2024 werd afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure zou worden vernietigd. STI werd tevens veroordeeld binnen twee weken een salarisspecificatie te verstrekken onder dwangsom. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.