Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 februari 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de brief van VQH van 19 juni 2024, met bijlage.
Rechtbank Rotterdam
Tussen VQH Advocaten B.V. en een consument heeft een overeenkomst van opdracht bestaan waarbij VQH juridische werkzaamheden verrichtte tegen een uurtarief van €220 exclusief btw en verschotten. De consument betaalde twee facturen, maar weigerde de derde factuur van €5.154 te voldoen, stellende dat er een afspraak was over een totaalbedrag van circa €2.000 exclusief btw.
De kantonrechter oordeelt dat het kostenbeding in de overeenkomst oneerlijk is omdat het niet duidelijk en begrijpelijk was geformuleerd. De advocaat had de consument onvoldoende geïnformeerd over de mogelijke oplopende kosten en had geen nieuwe schatting gegeven toen de situatie veranderde. Dit leidde tot een aanzienlijke overschrijding van het oorspronkelijk geraamde bedrag.
Op grond van het arrest van het Europees Hof en Richtlijn 93/13/EEG is een kostenbeding dat alleen een uurtarief vermeldt onvoldoende transparant. De kantonrechter vernietigt het oneerlijke beding ambtshalve, waardoor de consument niet verplicht is de laatste factuur te betalen. Tevens hoeft de consument geen rente of buitengerechtelijke kosten te voldoen.
De proceskosten worden aan de zijde van de consument vastgesteld op €50 en worden door VQH gedragen. De vorderingen van VQH worden afgewezen.
Uitkomst: De consument hoeft de onduidelijke en oneerlijke factuur van €5.154 niet te betalen en VQH draagt de proceskosten.