ECLI:NL:RBROT:2024:7467

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juli 2024
Publicatiedatum
13 augustus 2024
Zaaknummer
11005884 CV EXPL 24-7995
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:230a BWArt. 4:180 BWArt. 4:182 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand na overlijden huurder, geen hoofdelijke aansprakelijkheid erfgenamen

Mathbrug verhuurde een bedrijfsruimte aan de vader van de gedaagden, die na zijn overlijden voortgezet werd door de erfgenamen. Door een huurachterstand van meer dan €70.000 eiste Mathbrug betaling van de achterstand, maandelijkse huurtermijnen vanaf maart 2024, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en vergoeding van rente, incassokosten en proceskosten.

De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand voldoende was toegelicht en onbetwist bleef. De ontbinding van de huurovereenkomst werd toegewezen vanwege de omvang van de achterstand en het feit dat ook een gedaagde instemde met ontbinding. Gedaagden werden veroordeeld tot ontruiming binnen zeven dagen na betekening.

Hoewel Mathbrug hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling van de achterstand en bijkomende kosten vorderde, werd dit afgewezen omdat de huurovereenkomst en de wet (artikel 7:230a BW) geen hoofdelijke aansprakelijkheid voor erfgenamen bepalen. De proceskosten werden wel hoofdelijk toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en ontruiming, maar niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11005884 CV EXPL 24-7995
datum uitspraak: 19 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
B.V. Onroerend Goed Mathbrug,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. B. van der Eijk,
tegen

1.[gedaagde 1],

woonplaats: [woonplaats 1],
gedaagde,
die zelf procedeert,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
niet verschenen,
3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats 3],
gedaagde,
niet verschenen,
4. [gedaagde 4],
woonplaats: [woonplaats 4],
gedaagde,
niet verschenen,
5. [gedaagde 5],
woonplaats: [woonplaats 5],
gedaagde,
niet verschenen.
Eiseres wordt hierna ‘Mathbrug’ en gedaagde sub 1 wordt hierna ‘[gedaagde 1]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 maart 2024, met bijlagen;
  • het exploot van 15 maart 2024, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde 1] van 26 maart 2024;
  • de e-mail van [gedaagde 1] van 1 april 2024
  • de brief van de gemachtigde van Mathbrug van 1 mei 2024.
1.2.
Gedaagden sub 2, 3, 4 en 5 zijn niet in de procedure verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Dit vonnis geldt tussen alle partijen als een vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv Pro).

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Mathbrug heeft aan de vader van gedaagden een bedrijfsruimte verhuurd aan [adres]. De vader van gedaagden is overleden, waarna gedaagden als erfgenamen de huurovereenkomst hebben voortgezet. Er is een huurachterstand, die berekend tot en met februari 2024 € 70.163,39 bedraagt.
2.2.
Mathbrug eist dat de kantonrechter gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan haar € 70.169,39 te betalen, plus een bedrag van € 4.813,51 per maand vanaf maart 2024 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst, met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, zoals in de dagvaarding van 12 maart 2024 vermeld staat. Ook eist Mathbrug dat de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbindt, gedaagden veroordeelt om het gehuurde te ontruimen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
2.3.
[gedaagde 1] heeft laten weten dat hij het eens is met de ontbinding en de ontruiming van de huurovereenkomst en dat hij verder geen verweer wil voeren.
Gedaagden moeten een huurachterstand van € 70.163,39 betalen
2.4.
[gedaagde 1] heeft niet aangegeven dat de hoogte van de huurachterstand niet klopt. Daarom moeten gedaagde de geëiste huurachterstand van € 70.163,39 betalen. Mathbrug heeft de achterstand in de dagvaarding voldoende toegelicht. Dat is de huurachterstand berekend tot en met de maand februari 2024.
2.5.
Daarnaast moeten gedaagden vanaf maart 2024 tot en met vandaag (de dag waarop de huurovereenkomst door dit vonnis wordt ontbonden) de huurtermijnen van € 4.813,51 per maand betalen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.6.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is (artikel 6:265 BW Pro). Meestal zal een achterstand van meer dan twee maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [1] Gelet op de hoogte van de huurachterstand, die iedere maand oploopt, en de omstandigheid dat ook [gedaagde 1] wil dat de huurovereenkomst wordt ontbonden, wijst de kantonrechter de gevraagde ontbinding toe.
Gedaagden moeten het gehuurde ontruimen
2.7.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moeten gedaagden het gehuurde met al hun spullen verlaten. Dat moet gebeuren binnen zeven dagen nadat dit vonnis is betekend. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld om tot ontruiming over te gaan, omdat dit een ondeelbare prestatie is.
Gedaagden moeten incassokosten van € 1.786,73 betalen
2.8.
De incassokosten van € 1.786,73 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Gedaagden moeten rente betalen
2.9.
Over de huurachterstand en de vanaf maart 2024 verschuldigd geworden huurtermijnen moeten gedaagden de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW betalen. Mathbrug heeft genoeg gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald en gedaagden hebben dat niet betwist.
Geen hoofdelijke veroordeling tot betaling huurachterstand, huurtermijnen, incassokosten en rente
2.10.
Mathbrug heeft een hoofdelijke veroordeling van gedaagden gevorderd om de huurachterstand, de huurtermijnen vanaf maart 2024, de incassokosten en de rente te betalen. Zij heeft echter niet uitgelegd waarom gedaagden, als erfgenamen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze betaling. In de huurovereenkomst is geen hoofdelijke aansprakelijkheid afgesproken; uit de wet volgt voor de huur van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW ook geen hoofdelijke aansprakelijkheid. Hier geldt dus de hoofdregel van artikel 4:180 jo Pro. 4:182 BW. De hoofdelijke veroordeling wordt daarom niet uitgesproken.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
2.11.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Mathbrug op € 115,47 aan dagvaardingskosten, € 1.409,- aan griffierecht, € 815,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.474,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, met dien verstande dat niet de handelsrente, maar de rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro wordt toegewezen. De veroordeling om de proceskosten te betalen wordt wel hoofdelijk uitgesproken, omdat dit uit de aard van de vordering volgt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Mathbrug dat eist en gedaagden daar niet op hebben gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt gedaagden om aan Mathbrug te betalen € 70.136,39, te vermeerderen met een bedrag van € 4.813,51 per maand met ingang van 1 maart 2024 tot en met vandaag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de datum van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt gedaagden om aan Mathbrug te betalen € 1.488,63 aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen zeven na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen en de sleutels bij Mathbrug in te leveren;
3.4.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Mathbrug worden begroot op € 2.474,47 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.