Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
2.De beoordeling
€ 173,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat gedaagde op 15 juli 2024 ten laste van eiseres heeft gelegd. Het beslag betreft een vordering van € 88.355,84, bestaande uit een hoofdsom van € 48.500,00 plus rente en kosten, voortvloeiend uit de koopprijs van een aandeel in een onderneming, vastgelegd in een notariële akte van 20 januari 2016.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is voor zover deze op de notariële akte is gebaseerd, omdat de bepalingen innerlijk tegenstrijdig lijken en voorshands niet uitgesloten kan worden dat gedaagde een vordering heeft. Echter, voor zover de vordering is gebaseerd op verjaring, acht de rechter aannemelijk dat eiseres sinds 2 februari 2016 in verzuim is geraakt en de vordering inmiddels is verjaard volgens artikel 6:80 lid 1 BW Pro.
Gelet hierop wordt het gevorderde toegewezen en het beslag opgeheven. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van het geïncasseerde bedrag, met uitzondering van de wettelijke handelsrente, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een handelsovereenkomst. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van € 975,00. Het vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
Uitkomst: Het executoriaal derdenbeslag wordt opgeheven wegens verjaring van de vordering en gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van het beslagbedrag.