ECLI:NL:RBROT:2024:7580

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
C/10/675214 / HA ZA 24-221
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 BWArt. 2:248 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 139 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders voor schulden failliete BV en toewijzing voorschot

In deze civiele procedure vordert de curator in het faillissement van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid betaling van de schulden van de vennootschap van haar bestuurders. Eiser heeft met twee van de vier gedaagden een vaststellingsovereenkomst gesloten, waardoor zijn vorderingen tegen hen zijn komen te vervallen. Tegen de andere twee gedaagden is verstek verleend en hun verweer is niet behandeld.

De rechtbank oordeelt dat de primaire vorderingen van eiser tegen de gedaagden sub 3 en 4 gegrond zijn en wijst deze toe. De bestuurders worden op grond van artikel 2:11 en Pro 2:248 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van de vennootschap, inclusief de faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan. Tevens wordt een voorschot van €350.000 toegewezen, lager dan het gevorderde bedrag van €500.000, vanwege het risico op een overschot.

De proceskosten worden aan de grotendeels in het ongelijk gestelde bestuurders opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bevat een veroordeling tot betaling van wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de uitspraak. De rechtbank wijst alle overige vorderingen af.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van schulden en een voorschot van €350.000.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/675214 / HA ZA 24-221
Vonnis van 14 augustus 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam bedrijf],
vestigingsplaats: Dordrecht,
eiser,
advocaat mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht,
tegen

1.[gedaagde 1],

vestigingsplaats: Giessenburg,
2.
[gedaagde 2],
woonplaats: Giessenburg,
gedaagden sub 1 en 2,
advocaat mr. E. Hoogendam te Gorinchem,
en

3.[gedaagde 3],

vestigingsplaats: Giessenburg,
4.
[gedaagde 4],
woonplaats: Giessenburg,
gedaagden sub 3 en 4,
die niet zijn verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 28 november 2023 ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2, met bijlagen 1 tot en met 14;
  • de dagvaarding van 28 november 2023 ten aanzien van gedaagden sub 3 en 4, met bijlagen 1 tot en met 14;
  • de verlening van het verstek tegen gedaagden sub 1, 2, 3 en 4;
  • de zuivering van het verstek door gedaagden sub 1 en 2;
  • de akte eiswijziging voor de rolzitting van 31 juli 2024, met bijlage 15;
  • de akte tot referte van gedaagden sub 1 en 2 voor de rolzitting van 31 juli 2024.

2.De beoordeling

ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2

2.1.
In de akte eiswijziging heeft eiser de rechtbank bericht dat hij met gedaagden sub 1 en 2 tot overeenstemming is gekomen en dat zij een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Vanwege de getroffen schikking heeft eiser zijn vorderingen op gedaagden sub 1 en 2 verminderd tot nihil. Verder heeft eiser de rechtbank verzocht om ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2 geen proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat is overeengekomen dat zij ieder de eigen kosten dragen.
2.2.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de rechtbank ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2 geen vordering meer hoeft te beoordelen. Eiser heeft niet verzocht om de met gedaagden sub 1 en 2 gesloten vaststellingsovereenkomst aan dit vonnis te hechten, dus daartoe gaat de rechtbank ook niet over.
ten aanzien van gedaagden sub 3 en 4
2.3.
De primaire vorderingen van eiser ten aanzien van gedaagden sub 3 en 4 komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom worden die vorderingen toegewezen (artikel 139 Rv Pro), met inachtneming van het volgende. Eiser heeft in de akte eiswijziging opgemerkt dat hij er – gelet op de omstandigheid dat het te verwachten totale faillissementstekort, exclusief boedelkosten, inmiddels € 219.697,67 bedraagt – begrip voor heeft als het gevorderde voorschot van € 500.000,00 wordt toegewezen tot een bedrag van € 350.000,00, omdat een betaling van € 500.000,00 zou kunnen leiden tot een overschot. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het door gedaagden sub 3 en 4 aan eiser te betalen voorschot toe te wijzen tot een bedrag van € 350.000,00.
2.4.
Gedaagden sub 3 en 4 zijn te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en daarom moeten zij de proceskosten (inclusief beslagkosten en nakosten) betalen. De beslagkosten bestaan uit griffierecht, salaris advocaat en (over)betekenings-kosten van deurwaardersexploten. De totale proceskosten van eiser worden begroot op:
- dagvaarding € 132,57
- griffierecht € 2.312,00
- salaris advocaat € 2.714,00 (1 punt × tarief VI)
- beslagkosten € 1.556,87
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.893,44
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart voor recht dat gedaagden sub 3 en 4 op grond van de artikelen 2:11 en 2:248 lid 1 BW tegenover de boedel van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van die vennootschap, inclusief de algemene en bijzondere faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
3.2.
veroordeelt gedaagden sub 3 en 4 hoofdelijk tot betaling aan eiser van een bedrag gelijk aan de schulden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf], inclusief de algemene en bijzondere faillissementskosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, welk bedrag nog moet worden opgemaakt bij staat;
3.3.
veroordeelt gedaagden sub 3 en 4 hoofdelijk tot betaling aan eiser van een voorschot van € 350.000,00 op het faillissementstekort, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na vandaag;
3.4.
veroordeelt gedaagden sub 3 en 4 hoofdelijk in de proceskosten van € 6.893,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden sub 3 en 4 niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagden sub 3 en 4 € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.
3349 / 1918