Eiser heeft sinds 2017 geprocedeerd tegen de afwijzing van zijn bijstandsaanvraag. Na eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarbij verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, verstrekte eiser in maart 2022 de gevraagde stukken. Verweerder liet het dossier vervolgens liggen en nam pas actie na ingebrekestelling van eiser in maart 2023.
Verweerder weigerde een dwangsom toe te kennen met het argument dat de ingebrekestelling onredelijk laat was ingediend. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet onredelijk laat heeft ingebreke gesteld, gelet op de omstandigheden en eerdere contacten.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. Hiermee wordt verweerder aangesproken op het niet tijdig nemen van het besluit en de gevolgen daarvan.