AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot voortzetting rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang
Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf van betrokkene op grond van artikel 24 vanPro de Wet zorg en dwang (Wzd). Bij het verzoek waren onder meer een medische verklaring van een specialist ouderengeneeskunde en een zorgplan gevoegd.
Tijdens de mondelinge behandeling op 9 juli 2024 werd de diagnose dementie betwist door de advocaat van betrokkene, die een nadere medische verklaring door een klinisch geriater verzocht. De behandeling werd aangehouden omdat de behandelend arts van de zorgaanbieder niet aanwezig was en er onvoldoende medische informatie was. Het CIZ verstrekte vervolgens geen aanvullende medische verklaring.
Op 14 augustus 2024 vond een voortgezette mondelinge behandeling plaats, waarbij wederom geen behandelaars aanwezig waren en bleek dat betrokkene inmiddels thuis woont. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet ontvankelijk was en dat niet was voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging. Het verzoek werd daarom afgewezen wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde en het ontbreken van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de rechterlijke machtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing en het feit dat betrokkene thuis woont.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/681250 / FA RK 24-4714
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 14 augustus 2024 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 vanPro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. K. Lammers-Roselaar te Rotterdam.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 24 juni 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 8 november 2022;
de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam] , specialist ouderengeneeskunde, van 6 juni 2024;
de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 24 juni 2024;
een afschrift van het zorgplan van 6 maart 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
de familie van betrokkene.
2.Beoordeling
2.1.
Op 9 juli 2024 is de mondelinge behandeling van het verzoek aangehouden. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting, werd de psychogeriatrische aandoening, te weten dementie, betwist door de advocaat. Deze in de medische verklaring van 6 juni 2024 gestelde diagnose zou volgens de advocaat namelijk onvoldoende onderbouwd zijn en bovendien strijdig met de overige bevindingen van de specialist ouderengeneeskunde .. De advocaat heeft daarom op 9 juli 2024 verzocht om een medische verklaring door een klinisch geriater. Bij de zitting van 9 juli 2024 was een verzorgende aanwezig, maar niet de behandelend arts van Humanitas, zodat een nadere toelichting met betrekking tot de huidige medische situatie vanuit de zorgaanbieder niet kon worden gegeven. De mondelinge behandeling is daarop aangehouden, in afwachting van een nieuwe medische verklaring Het CIZ heeft geen nadere medische verklaring verstrekt. . Ook tijdens de mondelinge behandeling van 14 augustus 2024 is geen behandelaar namens de zorgaanbieder verschenen.
Tijdens de huidige mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene inmiddels niet meer in een zorgaccommodatie verblijft, maar thuis. Volgens betrokkene, zijn advocaat en de familie van betrokkene gaat het thuis goed met hem. De medicatie wordt verstrekt door de huisarts en één keer per dag komt er thuiszorg. De advocaat bepleit dan ook afwijzing.
2.2.
De rechtbank merkt allereerst op dat de evidente weigering van het CIZ om gehoor te geven aan de opdracht van de rechtbank een nadere medische verklaring op te stellen en de afwezigheid van behandelaars namens de zorgaanbieder tijdens de mondelinge behandelingen op 9 juli en 14 augustus 2024 zodanig strijden met beginselen van een goede procesorde dat de vraag kan opkomen of het CIZ wel ontvankelijk is het verzoek en of het verblijf van betrokkene bij Humanitas (in ieder geval na 6 juni 2024) überhaupt rechtmatig is geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank immers van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. Er is, gelet op het proces-verbaal van 9 juli 2024, onvoldoende informatie om vast te stellen of er sprake is van een stoornis in de zin van de Wzd. Tevens is een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf niet meer proportioneel en subsidiair, nu betrokkene wederom thuis woont. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.
3.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 14 augustus 2024 mondeling gegeven door mr. W.H.J. Stemker Köster, rechter, in tegenwoordigheid van T.M. Helleman, griffier, en op 21 augustus 2024 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.