Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:7903

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
ROT 24/7680
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.46 WkoArt. 1.47 WkoArt. 1.48d WkoArt. 1.49 WkoArt. 1.59 Wko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking toestemming gastouder vanwege overtreding Wet kinderopvang

Verzoekster beschikt sinds 2018 over een exploitatievergunning als gastouder. Na inspecties van de GGD in november 2023 en mei 2024 constateerde het college dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden uit de Wet kinderopvang, waaronder opvang op een niet-geregistreerd adres en opvang door vrijwilligers tijdens haar afwezigheid.

Het college trok daarom de toestemming in, waarna verzoekster bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg om haar werkzaamheden te mogen voortzetten. De voorzieningenrechter oordeelde dat er weliswaar sprake was van een spoedeisend belang, omdat verzoekster anders haar inkomsten zou verliezen, maar dat het college terecht had geconcludeerd dat zij niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de overtredingen niet automatisch betekenen dat de situatie onveilig of pedagogisch onverantwoord was, maar dat verzoekster als gastouder zelf de opvang moet verzorgen op het geregistreerde adres. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de intrekking blijft van kracht.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de gastoudertoestemming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7680

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 augustus 2024 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.B. Jobse),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. J.F. Jim).

Inleiding

1.1.
Met het primaire besluit van 22 juli 2024 heeft het college bepaald dat verzoekster vanaf 15 augustus 2024 niet meer als gastouder mag werken. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
Het college heeft aangegeven dat verzoekster haar werkzaamheden mag uitvoeren totdat de voorzieningenrechter heeft beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en namens het college de gemachtigde, [persoon A] en [persoon B] .

Totstandkoming van het besluit

2. Verzoekster beschikt sinds 5 oktober 2018 over toestemming om op haar adres ( [adres 1] in Rotterdam) als gastouder te werken (een exploitatievergunning). Op 20 februari 2024 heeft het college aan verzoekster een schriftelijke aanwijzing en twee waarschuwingen verstuurd, omdat na een inspectie door de GGD op 23 november 2023 is geconstateerd dat verzoekster niet aan de voorschriften voldoet uit de Wet kinderopvang (Wko) en dus in overtreding is. Na een tweede inspectie op 2 mei 2024 heeft de GGD geconstateerd dat verzoekster de overtreding niet heeft beëindigd. Het college heeft vervolgens aan verzoekster een voornemen verstuurd om de exploitatievergunning in te trekken en haar daarnaast een waarschuwing gegeven ter zake van het (laten) opvangen van kinderen op een niet in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerd opvangadres. Nadat verzoekster een zienswijze heeft ingebracht, heeft het college het primaire besluit genomen en daarmee de toestemming om als gastouder te werken ingetrokken. Er is meerdere malen geconstateerd dat (1) de opvang niet plaatsvindt in een gezinssituatie door verzoekster als gastouder, (2) de opvang plaatsvindt op een ander (niet in het LRK geregistreerd) adres ( [adres 2] in Rotterdam) en daarmee niet op het geregistreerde woonadres van verzoekster en (3) vrijwilligers tijdens de afwezigheid van verzoekster hebben gezorgd voor de opvang van de opvangkinderen. Verzoekster is het niet met de intrekking eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij haar werkzaamheden mag blijven uitoefenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, kan verzoekster haar werkzaamheden als gastouder niet meer verrichten en heeft zij daardoor geen inkomsten meer.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
5. Voor de relevante regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage bij deze uitspraak.
6. Het college heeft zich bij het primaire besluit gebaseerd op inspectierapporten van de GGD Rotterdam-Rijnmond van 28 november 2023 en 2 mei 2024. Dit zijn adviezen waar het college in beginsel van mag uitgaan, gelet op de deskundigheid van de GGD. [1] Het college moet er wel op letten dat het verrichte onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. In het geval de feiten worden betwist, moet het college zich zelfstandig een oordeel vormen over de feiten die aan de adviezen ten grondslag zijn gelegd (de vergewisplicht).
7. Het is niet in geschil dat de opvang van de kinderen (op 8 november 2023 en 26 maart 2024) heeft plaatsgevonden op een ander adres dan het adres van verzoekster (namelijk aan de [adres 2] in Rotterdam), en dat de kinderen op 26 maart 2024 zijn opgevangen door vrijwilligers (in plaats van door verzoekster). Verzoekster heeft aangevoerd dat bij haar thuis op 8 november 2024 de cv-ketel defect was en die dag werd gerepareerd. Dat was een noodsituatie. De opvang kon niet meer worden afgezegd. Vanwege de kou wilde verzoekster de kinderen niet bij haar thuis opvangen. Om die reden heeft zij de situatie met de ouders besproken en de kinderen opgevangen op het adres aan de [adres 2] . Ten aanzien van de opvang op 26 maart 2024 betoogt verzoekster dat zij niet wist dat de kinderen (met goedvinden van de ouders) door de vrijwilligers zijn opgevangen op het adres aan de [adres 2] . Verzoekster was zelf op 26 maart 2024 op vakantie en deze vakantie had verzoekster, zoals zij altijd doet, tijdig mondeling doorgegeven aan de consulente van het gastouderbureau (GOB).
8. In wat verzoekster heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Voor wat betreft de situatie op 8 november 2023 overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster de kinderen op een ander adres heeft opgevangen vanwege een noodsituatie op haar woonadres (een defecte CV-ketel). Verzoekster heeft deze keuze weliswaar gemaakt in het belang van de kinderen, maar dat neemt niet weg dat verzoekster daarmee in strijd met de voorschriften uit de Wko heeft gehandeld. Met betrekking tot de situatie op 26 maart 2024 overweegt de voorzieningenrechter dat de stelling van verzoekster dat zij haar vakantie mondeling tijdig en ruim van tevoren heeft doorgegeven, niet is onderbouwd. Het college heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het GOB pas op 27 maart 2024 op de hoogte is geraakt van de vakantie van verzoekster, omdat dit uit een e-mailbericht van 26 juni 2024 van de GOB-consulente blijkt. Verzoekster heeft daarnaast ook haar pas op de zitting gegeven verklaring voor de declaraties die hebben plaatsgevonden voor de opvang gedurende haar vakantie, niet met stukken onderbouwd.
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldaan aan de vergewisplicht en mocht het daarom de bevindingen uit de inspectierapporten van de GGD gebruiken bij het besluit tot intrekking van de aan verzoekster gegeven toestemming om als gastouder te werken. Op basis van de bevindingen van de GGD kon het college in redelijkheid concluderen dat verzoekster niet heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden uit de Wko. Verzoekster dient immers als gastouder de kinderen zelf op te vangen en wel op haar eigen adres. De voorzieningenrechter merkt daarbij ten overvloede op dat de geconstateerde overtredingen niet zonder meer meebrengen dat de situatie voor de kinderen op 8 maart 2023 en 26 maart 2024 onveilig of pedagogisch niet verantwoord was.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter verwacht dat de beslissing in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2024.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: relevante regelgeving

Wet kinderopvang

Artikel 1.46

2. In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het landelijk register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
5. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.
6. In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen.
Artikel 1.61
1. Het college ziet toe op de naleving van:
a. de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels;
b. de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen; en
c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden.
Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang
Artikel 8. Verwijdering uit het landelijk register kinderopvang
1. Het college kan besluiten tot intrekking van een beschikking en verwijdering van een kinderopvangvoorziening uit het landelijk register kinderopvang als bedoeld in artikel 1.46, vijfde en zesde lid, van de wet, indien:
a. is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert en er geen verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 7, derde lid, is ingediend;
b. uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, van de wet of anderszins is gebleken dat de houder in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, afdeling 3, paragrafen 2 of 3 van de wet.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1103.