In deze zaak stond de vordering van gedaagde centraal om eiseres te dwingen haar aandeel in de voormalige echtelijke woning te leveren, dan wel vervangende toestemming te verlenen voor notariële levering. Deze vordering werd gedaan in kort geding, terwijl tussen partijen een bodemprocedure loopt over de rechtsgeldigheid van het echtscheidingsconvenant en de waarde van de woning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van gedaagde onvoldoende zwaarwegend is om zonder medewerking van eiseres tot levering over te gaan. De geplande afspraak met de notaris was vervallen en de lopende bodemprocedure biedt ruimte voor nader onderzoek en bewijs. Daarnaast is onduidelijkheid over de waarde van de woning en de financieringsmogelijkheden van gedaagde, mede doordat eiseres niet betrokken was bij de taxaties waarop gedaagde zich beroept.
Gezien het familierechtelijke karakter van de zaak compenseerde de voorzieningenrechter de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen van gedaagde werden afgewezen en het meer of anders gevorderde eveneens. Het vonnis werd uitgesproken door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten op 16 juli 2024.