ECLI:NL:RBROT:2024:8013

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
10921028 CV EXPL 24-3181
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 233 RvTitel 2A Boek 7 BWWet op het Financieel Toezicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bewindvoerder tot betaling hoofdsom en rente uit kredietovereenkomst

Lender en Spender B.V. vordert betaling van een openstaande hoofdsom van €4.525,48 vermeerderd met vervallen rente en proceskosten van de bewindvoerder van twee onder bewind gestelde personen. De kredietovereenkomst tussen Lender en de onder bewind gestelden voorzag in maandelijkse betalingen, maar door betalingsachterstand werd de restantsom opeisbaar.

De bewindvoerder betwistte niet de hoofdsom en stelde dat hij niet op de hoogte was van de vordering voordat hij de dagvaarding ontving. De kantonrechter onderzocht of er sprake was van oneerlijke bepalingen of onvoldoende informatieverstrekking, maar concludeerde dat dit niet het geval was.

De rechter veroordeelde de bewindvoerder tot betaling van de hoofdsom van €4.584,52 inclusief contractuele rente van 7,7% vanaf dag na dagvaarding tot volledige betaling. Tevens werden de proceskosten van €1.015,54 toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, contractuele rente en proceskosten, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10921028 CV EXPL 24-3181
datum uitspraak: 12 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Lender en Spender B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: BVCM Collections B.V.,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1] en [naam 2],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Lender’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 januari 2024, met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde] van 1 februari 2024, met bijlagen;
  • de e-mail van Lender van 11 juni 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 11 juni 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Lender [naam 3] aanwezig. [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

[naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: [naam 2]) hebben een kredietovereenkomst gesloten met Lender op grond waarvan zij een geldbedrag van Lender hebben geleend. Op 16 oktober 2023 zijn [naam 1] en [naam 2] onder bewind gesteld. Daarbij is [gedaagde] benoemd als hun bewindvoerder.

3.Het geschil

3.1.
Lender eist samengevat:
  • primair [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 4.584,52 en subsidiair € 4.525,48;
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen primair de contractuele rente van 7,7% per jaar over de primair gevorderde hoofdsom vanaf de dag na dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en subsidiair de wettelijke consumentenrente over de subsidiair gevorderde hoofdsom vanaf de dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
  • [gedaagde] zowel primair als subsidiair te veroordelen tot betaling van het salaris van de gemachtigde ad €264,00;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat primair wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 4.525,48 vermeerderd met de vervallen rente van € 59,04. Het bedrag dat subsidiair wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 4.525,48.
3.2.
Lender baseert de eis op het volgende.
Op basis van de kredietovereenkomst die [naam 1] en [naam 2] hebben gesloten waren zij maandelijks een bedrag van € 104,40 aan Lender verschuldigd. Omdat [naam 1] en [naam 2] een betalingsachterstand van meer dan twee maanden hebben laten ontstaan en zij na ingebrekestelling niet tot betaling zijn overgegaan, is de restantsom van het geleende bedrag ineens opeisbaar geworden. Inmiddels is er sprake van een hoofdsom van € 4.525,48. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst is een rente van 7,7% per jaar bedongen. Lender maakt daar aanspraak op, waaronder een bedrag van € 59,04 aan tot aan de dag van dagvaarding vervallen rente. Lender stelt de onderhavige eis in tegen [gedaagde] als bewindvoerder van [naam 1] en [naam 2].
3.3.
[gedaagde] stelt in zijn onder 1.1 bedoelde brief dat hij voordat hij de dagvaarding ontving niet op de hoogte was van de vordering van Lender op [naam 1] en [naam 2] en dat een betalingsregeling op dat moment niet tot de financiële mogelijkheden behoort.

4.De beoordelinggeen oneerlijke bepalingen

4.1.
De kantonrechter heeft onderzocht of er in deze zaak oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet.
informatieverplichting
4.2.
De kantonrechter heeft ook onderzocht of een deel van de eis moet worden afgewezen omdat [naam 1] en [naam 2] bij het aangaan van de overeenkomst onvoldoende of onjuiste informatie hebben gekregen. Dat is niet het geval. De kantonrechter is dus van oordeel dat zij, gelet op de informatieverplichting zoals bedoeld in titel 2A van Boek 7 en in de Wet op het Financieel Toezicht voldoende informatie hebben gekregen.
hoofdsom
4.3.
[gedaagde] betwist de verschuldigdheid en hoogte van de primair gevorderde hoofdsom niet. De primair gevorderde hoofdsom van € 4.584,52 wordt dan ook toegewezen.
rente
4.4.
De contractuele rente wordt toegewezen, omdat Lender genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Partijen hebben deze rente afgesproken.
proceskosten
4.5.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Lender op € 113,54 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 271,00 (1 punt voor de dagvaarding) aan salaris voor de gemachtigde (uitgaande van het voor het salaris geldende (en kennelijk door Lender bedoelde) liquidatietarief voor vonnissen gewezen na 1 februari 2024) en € 135,00 aan nakosten. Dit is in totaal € 1.015,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Lender dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Lender te betalen € 4.584,52 met de contractuele rente van 7,7% per jaar over dit bedrag vanaf 31 januari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Lender worden begroot op € 1.015,54.
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
62574