ECLI:NL:RBROT:2024:8056

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
27 augustus 2024
Zaaknummer
24/7782
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom horeca zonder vergunning

Verzoekster exploiteerde een bakkerij op een oude locatie waar zij zonder vergunning gerechten mocht bereiden en verkopen. Door sloop moest zij verhuizen naar een nieuwe locatie waar deze vrijstelling niet geldt. De gemeente legde haar een last onder dwangsom op omdat zij zonder vergunning horeca-activiteiten verrichtte. Verzoekster stelde dat zij door een gebiedsadviseur, die echter niet in dienst was van de gemeente, op het verkeerde been was gezet en vroeg om een voorlopige voorziening om toch zonder vergunning gerechten te mogen bereiden.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek in een spoedprocedure en erkende het spoedeisend belang vanwege het omzetverlies en onzekerheid. Echter bleek uit het dossier dat verzoekster een volledige financiële vergoeding van de gemeente had ontvangen voor de verhuizing, inclusief kosten voor het zoeken van een nieuwe locatie. Ook was niet duidelijk hoe de communicatie met de gebiedsadviseur verliep en waarom verzoekster dacht dat deze namens de gemeente sprak.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster zelf steken had laten vallen bij de locatiekeuze en dat er onvoldoende reden was om de last onder dwangsom voorlopig op te schorten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wordt afgewezen; geen vergunning, geen horeca-activiteiten toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7782

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. W.M. Everwijn),
en

de burgemeester van Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Samenvatting

Deze zaak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom. Verzoekster heeft door omstandigheden haar bakkerij moeten verplaatsen en heeft hiervoor van de gemeente een financiële vergoeding gekregen. Op de oude locatie mocht verzoekster zonder vergunning gerechten bereiden en verkopen. Op de nieuwe locatie mag dat niet. Verzoekster zegt dat zij op het verkeerde been is gezet door de gebiedsadviseur. Het is niet duidelijk hoe het hier mis heeft kunnen gaan. De door verzoekster genoemde gebiedsadviseur is echter niet in dienst van de gemeente. Het lijkt erop dat verzoekster zelf steken heeft laten vallen bij het zoeken naar een nieuw pand. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2024 heeft de burgemeester verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoekster geen horeca-activiteiten mag uitoefenen in haar onderneming zonder geldige exploitatievergunning. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (allen namens verzoekster), de gemachtigde van de burgemeester en [persoon D] (namens de burgemeester).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster exploiteerde een bakkerij ( [naam bakkerij] ) op het adres [adres 1] in Rotterdam (oude locatie). Op deze locatie gold een vrijstelling van de vergunningsplicht, zodat verzoekster naast bakkersproducten ook gerechten kon aanbieden. Omdat het pand zou worden gesloopt, is verzoekster op zoek gegaan naar een andere locatie. De bakkerij zit nu aan de [adres 2] (nieuwe locatie) en is rond 26 april 2024 open gegaan. Op deze locatie geldt geen vrijstelling van de vergunningsplicht.
Wat is er gebeurd?
4. Toezichthouders van de gemeente Rotterdam hebben op 31 mei 2024 geconstateerd dat er in de bakkerij gerechten besteld konden worden en dat er gerechten werden bereid. De burgemeester heeft verzoekster vervolgens een waarschuwing gegeven, omdat verzoekster geen vergunning heeft om gerechten te verkopen. Toezichthouders van de gemeente Rotterdam hebben op 11 juni 2024 geconstateerd dat er nog steeds gerechten besteld konden worden.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. De burgemeester heeft verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoekster gerechten aanbiedt zonder dat zij daarvoor een vergunning heeft. Verzoekster mag wel bakkersproducten verkopen, maar geen maaltijden klaarmaken zoals Turkse pizza of döner. Als wordt gezien dat verzoekster dat toch doet, dan moet zij voor iedere overtreding een dwangsom betalen. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij zonder vergunning gerechten mag klaarmaken op de nieuwe locatie.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
8. De burgemeester vindt dat verzoekster het spoedeisend belang niet aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd van haar financiële situatie en verzoekster hoeft ook nog geen dwangsommen te betalen. De burgemeester vindt dat het verzoek moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.
9. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster een goedlopende zaak had op de oude locatie. Zij is verhuisd naar een locatie aan de overkant van de straat, maar mag op die nieuwe locatie niet dezelfde dingen aanbieden als op de oude locatie. Volgens verzoekster leidt dit tot een zodanig omzetverlies, dat zij deze maand de huur van het pand niet kan betalen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster daarom zo snel mogelijk duidelijkheid wil over de vraag of zij nu wel of geen gerechten mag aanbieden op de nieuwe locatie. De voorzieningenrechter ziet daarin voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Belangenafweging
10. Volgens het Horecagebiedsplan Feijenoord 2022-2024 geldt er op de Beijerlandselaan geen vrijstelling van de vergunningsplicht. Er is een uitzondering voor bepaalde panden, waaronder voor de oude locatie waar verzoekster eerst gevestigd was. Hierdoor is het mogelijk dat verzoekster op de oude locatie geen vergunning nodig had en op de nieuwe locatie wel. Partijen zijn het er in principe ook over eens dat verzoekster op de nieuwe locatie een vergunning nodig heeft voor het aanbieden van gerechten.
11. Verzoekster voert echter aan dat zij door gesprekken met de gebiedsadviseur op het verkeerde been is gezet. Zij was in de veronderstelling dat zij op de nieuwe locatie dezelfde dingen mocht verkopen als op de oude locatie. Zij heeft daarom eind januari 2024 een huurcontract getekend met de eigenaar van de nieuwe locatie. Verzoekster heeft tijdens de zitting een Whatsapp-gesprek met de gebiedsadviseur overgelegd, waarin hij vraagt hoe het gaat met het pand op de Beijerlandselaan. De gemachtigde van de burgemeester heeft tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen het inbrengen van het Whatsapp-gesprek, omdat zij zich hierdoor overvallen voelde. De voorzieningenrechter heeft dit document echter toegelaten, omdat het hier gaat om een spoedprocedure en verzoekster in het verzoekschrift al had aangevoerd dat de gebiedsadviseur bepaalde toezeggingen had gedaan. Volgens de burgemeester is de gebiedsadviseur echter niet in dienst van de gemeente. De gebiedsadviseur kon daarom geen toezeggingen doen over de activiteiten die verzoekster mocht verrichten op de nieuwe locatie.
12. Op 21 februari 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de eigenaren van verzoekster, de gebiedsadviseur (die niet in dienst is van de gemeente) en de
horeca-gebiedsadviseur (die wel in dienst is van de gemeente). In een e-mail van 26 februari 2024 aan één van de eigenaren staat dat er tijdens dit gesprek is besproken dat het op de nieuwe locatie niet is toegestaan om etenswaren te verstrekken die direct voor consumptie geschikt zijn. Tijdens de zitting is toegelicht dat het daarbij om gerechten gaat en niet om ‘gewone’ bakkersproducten. Volgens verzoekster was het op dat moment al te laat om af te zien van vestiging op de nieuwe locatie: de huurovereenkomst was namelijk al getekend, er was een aannemer ingeschakeld voor een verbouwing en er waren daarvoor al investeringen gedaan. Het is voor de voorzieningenrechter op dit moment niet duidelijk hoe het hier zo mis heeft kunnen gaan. Hoe is de communicatie verlopen? Wat was de rol van de gebiedsadviseur? Waarom gingen de eigenaren ervan uit dat de gebiedsadviseur in dienst was van de gemeente? Dit zijn allemaal vragen die tijdens de bezwaarprocedure verder onderzocht en besproken dienen te worden.
13. De voorzieningenrechter staat voor de vraag of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, zodat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure gerechten mag verkopen. De voorzieningenrechter vindt dat daar op dit moment onvoldoende reden voor is. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoekster van de gemeente een hoge financiële vergoeding (volledige schadeloosstelling) heeft gekregen voor het moeten verplaatsen van de bakkerij. In deze vergoeding was rekening gehouden met het inschakelen van een aankoopmakelaar en de tijd die nodig was om een nieuwe locatie te vinden. Het lijkt erop dat verzoekster onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de nieuwe locatie en de vraag of zij haar onderneming onder dezelfde voorwaarden mocht voortzetten. Het is mogelijk dat verzoekster zich op het verkeerde been heeft laten zetten door de gebiedsadviseur, maar deze is niet in dienst van de gemeente. Zoals gezegd, zal tijdens de bezwaarprocedure nader bekeken moeten worden hoe de communicatie met de gebiedsadviseur is verlopen, maar de voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat verzoekster zelf (ook) steken heeft laten vallen bij de verplaatsing van haar bedrijf. Daarbij speelt ook mee dat verzoekster sinds eind februari 2024 al wist dat wat zij voor ogen had, niet mocht op de nieuwe locatie. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gerechten mag bereiden of verkopen zonder vergunning, omdat zij anders een dwangsom zal moeten betalen als er een overtreding wordt geconstateerd. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.