ECLI:NL:RBROT:2024:8083
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling gematigd tot 60 dagen
De veroordeelde was veroordeeld tot gevangenisstraffen van 36 en 1 maand, met aftrek van voorarrest, en kwam op 5 juli 2024 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie stelde de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling op 4 juni 2024 uit met 90 dagen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij medewerking had verleend aan risicotaxatie en interventies, dat zijn eerdere gedrag in detentie niet tegen hem zou moeten worden gebruikt en dat hij bereid was om deel te nemen aan verdiepingsdiagnostiek.
De rechtbank behandelde het bezwaar op 6 augustus 2024 en hoorde de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie. Het Openbaar Ministerie voerde aan dat uit risicotaxatie, delictanalyse en adviezen van reclassering en penitentiaire inrichting ernstige zorgen over de veroordeelde blijken, mede door zijn gedrag in detentie en gebrek aan medewerking aan re-integratiedoelen. Ook werd gewezen op het recente drugssmokkelverleden van zijn partner.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling had kunnen besluiten, maar achtte een uitstel van 90 dagen niet passend. Gezien het advies van de reclassering matigde de rechtbank het uitstel tot 60 dagen en verklaarde het bezwaar gegrond.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gegrond verklaard en het uitstel wordt gematigd tot 60 dagen.