ECLI:NL:RBROT:2024:8107
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermogen
Verzoekster diende op 4 april 2024 een bijstandsaanvraag in die door het college is afgewezen vanwege een verondersteld vermogen uit een huurkoopovereenkomst. Verzoekster stelde dat de koopsom was verlaagd en dat zij daardoor niet langer in haar levensonderhoud kon voorzien.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster voldoende spoedeisend belang had vanwege haar acute financiële noodsituatie, waaronder afgesloten gas- en elektriciteitsvoorzieningen en openstaande schulden. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het vermogen op € 36.000 werd gesteld en had geen adequaat onderzoek verricht naar de schulden van verzoekster.
De rechter stelde vast dat het besluit onduidelijk was over de grondslag en motivering, en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de door verzoekster opgegeven schulden en de inhoud van het addendum. Gezien de omstandigheden en het zorgvuldigheidsbeginsel werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Het college is verplicht om vanaf 19 juli 2024 voorschotten te verstrekken tot zes weken na de beslissing op bezwaar en moet griffierecht en proceskosten aan verzoekster vergoeden. De uitspraak is definitief en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet voorschotten verstrekken en kosten vergoeden.