De zaak betreft een verzoek van een werknemer die op 14 april 2024 op staande voet werd ontslagen door haar zus, de eigenaar van een eenmanszaak. De werknemer betwist de geldigheid van het ontslag en vordert onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon, vakantiegeld, loonstroken en een eindafrekening.
De werkgever is niet verschenen en heeft het ontslag niet gemotiveerd. De kantonrechter stelt vast dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op staande voet, omdat geen dringende reden is komen vast te staan. Hierdoor is het ontslag niet rechtsgeldig.
De kantonrechter kent een billijke vergoeding toe van € 2.449,10, gebaseerd op twee keer de transitievergoeding, als compensatie voor het onrechtmatige ontslag. Tevens wordt een transitievergoeding van € 1.224,55 toegekend. Daarnaast wordt een bedrag van € 2.346,93 aan achterstallig loon toegewezen, inclusief wettelijke rente en verhoging wegens te late betaling.
Verder wordt een bedrag van € 1.665,58 aan vakantiegeld toegekend met rente en verhoging. De werkgever wordt veroordeeld om loonstroken over maart en april 2024 en een eindafrekening te verstrekken binnen veertien dagen, onder dreiging van een dwangsom. Een vergoeding van € 559,63 voor buitengerechtelijke kosten en proceskosten van € 765,- worden eveneens toegewezen. Verzoeken tot naleving van de Horeca-cao worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.