De man en vrouw, voormalige partners, zijn in geschil over het gebruik van een woning waarvan de vrouw eigenaresse is en waar de man sinds 2015 woonde. De man vordert dat de vrouw en haar kinderen de woning verlaten en dat hij er mag blijven wonen totdat de huur- of gebruiksovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. De vrouw betwist dit en stelt dat de overeenkomst is ontbonden vanwege aangetroffen drugs in de woning en dat zij de woning dringend nodig heeft voor zichzelf en haar kinderen.
De kantonrechter stelt vast dat het niet onaannemelijk is dat de man in een bodemprocedure aanspraak kan maken op gebruik van de woning, ongeacht of dit op basis van huur- of gebruiksovereenkomst is. De vrouw heeft de ontbinding van de overeenkomst niet aannemelijk gemaakt en de mondelinge afspraak dat de man zou vertrekken als zij terugkeerde, is niet bewezen.
Toch weegt de belangenafweging zwaar in het voordeel van de vrouw, vooral vanwege de aanwezigheid van haar vijf minderjarige kinderen, waaronder een zwaar verstandelijk beperkt kind dat veel zorg nodig heeft. De vrouw mag daarom voorlopig in de woning blijven, terwijl de man zijn persoonlijke spullen mag ophalen. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten van de man, en de overige vorderingen worden afgewezen.