De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van het ongeboren kind vanwege zorgen over de opvoedingssituatie en de relatie tussen de ouders. Er is sprake van een gespannen en onrustige familiesituatie met escalaties en conflicten binnen het gezin en het bredere familiekader. De moeder vertoont wisselend gedrag ten aanzien van hulpverlening en kampt met psychische problemen, waaronder suïcidale gedachten.
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de vader niet aanwezig was, bevestigden de Raad en de gecertificeerde instelling de noodzaak van toezicht en passende hulpverlening. De moeder en grootouders betreurden het gebrek aan eerdere interventies en benadrukten de complexiteit van de situatie. De kinderrechter concludeerde dat het vrijwillige kader onvoldoende effectief was en dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
De kinderrechter stelde het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor de periode van een jaar, met het oog op het waarborgen van de ontwikkeling en het inzetten van passende hulpverlening. Tevens werd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.