Eiseres diende beroep in tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van een forfaitaire compensatie van €30.000,- werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende procesbelang heeft omdat zij met een later besluit van 6 april 2023 reeds recht heeft gekregen op de volledige compensatie van €30.000,- en ook de proceskosten van de bezwaarprocedure zijn vergoed.
Hoewel eiseres stelde dat de lange wachttijd en onzekerheid over erkenning als gedupeerde haar hebben geraakt, is volgens vaste rechtspraak een louter principieel belang onvoldoende voor ontvankelijkheid.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €875,-.
De rechtbank kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat het ontbreken van materieel belang de ontvankelijkheid in de weg stond.