ECLI:NL:RBROT:2024:8308

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 augustus 2024
Publicatiedatum
3 september 2024
Zaaknummer
ROT 22/5186
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.7 WhtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken materieel procesbelang na compensatie toeslagen

Eiseres diende beroep in tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van een forfaitaire compensatie van €30.000,- werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende procesbelang heeft omdat zij met een later besluit van 6 april 2023 reeds recht heeft gekregen op de volledige compensatie van €30.000,- en ook de proceskosten van de bezwaarprocedure zijn vergoed.

Hoewel eiseres stelde dat de lange wachttijd en onzekerheid over erkenning als gedupeerde haar hebben geraakt, is volgens vaste rechtspraak een louter principieel belang onvoldoende voor ontvankelijkheid.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €875,-.

De rechtbank kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat het ontbreken van materieel belang de ontvankelijkheid in de weg stond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materieel procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Ridderkerk, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. I. Kayhan).

Procesverloop

Met het besluit van 30 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toekenning van een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 april 2021 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 26 juni 2024. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang heeft. Met het besluit van 6 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op € 18.866,- compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. Dit bedrag is op grond van artikel 2.7 van de Wht aangevuld tot € 30.000,-. Met het bestreden besluit is reeds een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure toegekend.
2. Eiseres betoogt dat zij onterecht en onnodig lang heeft moeten wachten op haar compensatie. Dit heeft een grote impact gehad op eiseres en haar gezin: zij werd opnieuw van het kastje naar de muur gestuurd en van herstel was geen sprake.
3. Volgens vaste rechtspraak is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. [1] Een enkel formeel of principieel belang is onvoldoende. [2]
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende procesbelang. Voor zover eiseres nastreeft dat aan haar alsnog € 30.000,- wordt toegekend, geldt dat de Dienst Toeslagen met het besluit van 6 april 2023 reeds aan dat belang is tegemoetgekomen. Ook de proceskosten van de bezwaarprocedure heeft de Dienst Toeslagen al vergoed. Eiseres heeft niet gesteld dat zij een ander materieel belang heeft bij het beroep. De rechtbank begrijpt dat eiseres in onzekerheid heeft gezeten over de vraag of zij zou worden erkend als gedupeerde in de toeslagenaffaire. Voor zover eiseres een principieel oordeel van de rechtbank hierover nastreeft, geldt echter dat enkel een principieel belang onvoldoende is voor de behandeling van een beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
6. Omdat de Dienst Toeslagen na het instellen van het beroep aan eiseres tegemoet is gekomen, moet de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht vergoeden en veroordeelt de rechtbank de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:325.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2650.