Eiseres heeft op 21 januari 2021 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) wegens institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het toeslagsysteem. De Dienst Toeslagen stelde vast dat eiseres voor de jaren 2010, 2011 en 2013-2016 geen recht had op compensatie omdat wijzigingen in toeslagbedragen het gevolg waren van eigen wijzigingen in toetsingsinkomen of opvanguren. Voor 2017 had eiseres geen aanvraag gedaan.
Eiseres stelde dat ook het toeslagjaar 2017 betrokken had moeten worden en dat de aanvraag van haar partner meegenomen had moeten worden bij de beoordeling, omdat zij de aanvraag mede namens haar partner had gedaan. De rechtbank oordeelde dat eiseres in 2017 geen kinderopvangtoeslag had aangevraagd en dat de Dienst Toeslagen niet verplicht was om de aanvraag van de partner mee te wegen bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres.
De rechtbank stelde vast dat de Dienst Toeslagen iedere aanvraag afzonderlijk beoordeelt en dat de partner van eiseres als tweede aanvrager binnen het gezin een forfaitair bedrag van €30.000,- toegekend kreeg. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond verklaard en zij heeft geen recht op het forfaitaire bedrag. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.