Eiseres, een schoonmaakbedrijf, maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling van haar NOW-1 subsidie, waarbij de minister het subsidiebedrag verlaagde vanwege een lagere loonsom in de subsidieperiode ten opzichte van de referentiemaand januari 2020. Eiseres stelde dat de loonsom in januari 2020 gecorrigeerd moest worden voor het hogere aantal werkdagen (23 dagen versus gemiddeld 21,67 dagen in maart-mei) en dat het loon van een werknemer die al voor de subsidieperiode ontslag had aangevraagd, ten onrechte was meegenomen.
De rechtbank overwoog dat de NOW-1 regeling bewust generiek is opgezet om snel en eenvoudig tegemoetkomingen te kunnen verstrekken, waarbij het loon in januari 2020 als referentie geldt. Maatwerk door correctie van het dagenaantal in januari 2020 past niet binnen de wettelijke tekst en het buitenwettelijke beleid van de minister. Ook het betoog dat de regeling leidt tot rechtsongelijkheid werd verworpen, omdat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met werkgevers die een vast maandsalaris betalen.
Ten aanzien van de werknemer met ontslagaanvraag oordeelde de rechtbank dat het normale ondernemersrisico voor rekening van eiseres komt en dat de regeling niet bedoeld is om financiële nadelen door natuurlijk verloop of ontslag te compenseren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.