De rechtbank Rotterdam behandelde op 10 juni 2024 een zaak over vervangende toestemming voor het verkrijgen van Nederlandse reisdocumenten voor twee minderjarige kinderen die in een gezinshuis verblijven, en een verzoek van de moeder om een schriftelijke aanwijzing betreffende de omgangsregeling te laten vervallen.
De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoeding en problematiek. De gecertificeerde instelling (GI) heeft meerdere pogingen gedaan om de ID-kaarten van de kinderen van de moeder te verkrijgen, die zij niet wilde afstaan en ook geen toestemming gaf voor nieuwe aanvragen. De vader gaf wel toestemming. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de kinderen is dat het gezinshuis over de benodigde reisdocumenten beschikt, en verleende daarom vervangende toestemming.
De moeder verzocht tevens om de schriftelijke aanwijzing betreffende de omgangsregeling te laten vervallen. Dit verzoek werd afgewezen omdat de rechtbank het besluit van de GI zorgvuldig en gemotiveerd vond, mede gelet op een incident waarbij de moeder een van de kinderen zou hebben mishandeld, wat door de rechtbank aannemelijk werd geacht. Het belang van de kinderen om beschermd te worden tegen geweld weegt zwaarder dan het belang van de moeder om onbegeleid contact te hebben.
De beschikking werd mondeling gegeven door de meervoudige kamer en schriftelijk vastgesteld op 21 juni 2024.