De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege zorgen over de opvoedingssituatie en de kwetsbaarheid van de ouders. De gecertificeerde instelling (GI) was betrokken en ondersteunde het verzoek, mede vanwege het ontbreken van recent zicht op de thuissituatie sinds het uit huis plaatsen van de oudere zussen.
De ouders betwistten het verzoek en stelden dat er momenteel geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij geven aan zelf adequaat hulp te zoeken en afspraken na te komen. De vader benadrukte dat hij minimaal betrokken was bij de oudere kinderen en dat zij de minderjarige inmiddels goed opvoeden.
De kinderrechter overwoog dat een ondertoezichtstelling een uiterste maatregel is die concreet moet zijn gebaseerd op een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Hoewel de zorgen van de Raad en GI begrijpelijk zijn, zijn deze onvoldoende concreet en actueel. De ouders zijn zich bewust van hun beperkingen en accepteren de benodigde hulpverlening.
Daarom is niet voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 BWPro voor een ondertoezichtstelling. Het verzoek tot verlenging wordt afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 5 augustus 2024 en in het openbaar uitgesproken door kinderrechter A. Verweij.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete ernstige ontwikkelingsbedreiging.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682543 / JE RK 24-1532
Datum uitspraak: 5 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 10 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordigster van de GI, [persoon B] .
2.De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar ouders.
3.Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4.De standpunten
4.1.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. Voor de oudste twee dochters van de moeder is een KSCD onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de GI een melding gemaakt bij de Raad voor [voornaam minderjarige] . Het lijkt alsof de moeder aan haar taks zit. Het is de vraag of de ouders kunnen blijven aansluiten bij [voornaam minderjarige] . De ouders zijn beiden kwetsbaar en zullen altijd veel hulp nodig hebben, ook bij de verzorging van [voornaam minderjarige] . Nu is het moment om vanuit de GI regie te gaan voeren over de reeds betrokken hulpverlening en de hulpverlening die verder nog nodig is.
4.2.
De GI heeft ingestemd met het verzoek van de Raad. De GI is reeds betrokken bij de andere kinderen van de moeder. Het is de bedoeling van de ondertoezichtstelling om te kijken of [voornaam minderjarige] onder regie van de GI thuis kan blijven wonen. Sinds de oudere dochters van de moeder uit huis zijn, is er geen zicht meer op de thuissituatie van [voornaam minderjarige] . Het laatste zicht was tijdens Pasen in verband met een incident toen, waar een ander kind bij betrokken was.
4.3.
Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek van de Raad af te wijzen. De grondslag van dit verzoek ligt in het KSCD onderzoek van de oudste twee dochters van de moeder. Zij zijn niet geboren uit de huidige relatie. Dat maakt de situatie voor [voornaam minderjarige] anders. De ouders zoeken zelfstandig hulp voor [voornaam minderjarige] als zij zien dat dit nodig is, zoals fysiotherapie en logopedie. De moeder komt de gemaakte afspraken na, doet oefeningen met [voornaam minderjarige] en zij komt op tijd op school. Op dit moment zijn er geen zorgen en gaat het goed. Er is dan ook op dit moment geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Het feit dat de ouders wellicht over enkele jaren niet kunnen aansluiten bij [voornaam minderjarige] en dat zij de ouders zal overstijgen, is geen zekerheid. Indien de kinderrechter niet instemt met afwijzing, wordt subsidiair verzocht om aanhouding voor de duur van drie maanden of meer subsidiair voor het toewijzen voor de duur van zes maanden.
4.4.
De vader heeft niet ingestemd met het verzoek. In het KSCD onderzoek is niet gekeken naar de rol van de vader, omdat hij minimaal betrokken was bij de oudste dochters van de moeder. De ouders voeden [voornaam minderjarige] inmiddels al vier jaar goed op en als er hulpverlening nodig is, gaan zij daar zelf naar op zoek.
5.De beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Om een ondertoezichtstelling uit te kunnen en mogen spreken, moet er sprake zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [voornaam minderjarige] . De zorgen die de Raad en de GI uiten zijn begrijpelijk, maar op dit moment onvoldoende concreet. Dat de ouders wellicht op een bepaald moment niet kunnen aansluiten bij [voornaam minderjarige] of dat [voornaam minderjarige] op een bepaald moment de ouders overstijgt, is niet een situatie die nu gaande is. Het doel van de ondertoezichtstelling is een uiterste maatregel waarvoor concreet moet zijn dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter ziet de huidige zorgen, maar ziet ook dat de ouders dit oppakken. De ouders lijken zich bewust te zijn van hun beperkingen en van de hulpverlening die nodig is voor henzelf en voor [voornaam minderjarige] . Zij lijken die hulpverlening te aanvaarden en indien nodig ook op te zoeken dan wel aan te vragen.
5.2.
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] , waarmee niet aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan als bedoeld in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2024 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 12 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.