Verzoeker heeft voor de vierde keer een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een bestuurszaak tussen verzoeker en de korpschef van de politie. Het verzoek is gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het verbod op het maken van zittingsopnames, het niet inhoudelijk beslissen op eerdere wrakingsverzoeken, het ontbreken van reactie op een telehoorverzoek, onjuiste beweringen over het telefoonnummer van verzoeker en vermeende intimidatie door de politie.
De wrakingskamer oordeelt dat geen van deze gronden aanleiding geeft tot wraking, omdat verzoeker niets aanvoert dat wijst op partijdigheid of de schijn daarvan. Eerder ingediende wrakingsverzoeken zijn buiten behandeling gesteld, en verzoeker blijft onterecht volharden in zijn standpunt dat deze alsnog behandeld moeten worden.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikt door het voor andere doeleinden te gebruiken dan bedoeld, namelijk het aanvechten van vermeende partijdigheid. Daarom wordt het verzoek kennelijk ongegrond verklaard en wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze hoofdzaak niet meer in behandeling worden genomen.