ECLI:NL:RBROT:2024:866

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
ROT 22/1184 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet en afwijzing immateriële schadevergoeding wegens late indiening gronden

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht. Tegen deze uitspraak stelde opposante verzet in, maar het verzetschrift bevatte geen gronden. De rechtbank gaf een hersteltermijn van twee weken, maar de gronden werden pas na deze termijn ingediend, waardoor het verzet niet-ontvankelijk werd verklaard.

Daarnaast verzocht opposante om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een overschrijding van ruim vier maanden, wat in beginsel recht geeft op vergoeding. Echter bleek uit de volmacht dat de vergoeding niet ten goede zou komen aan opposante zelf, maar aan de gemachtigde, waardoor het verzoek werd afgewezen.

De rechtbank handhaafde daarmee de eerdere buiten-zittinguitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/1184 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 op het verzet van

[naam opposante], uit [plaatsnaam], opposante

(gemachtigde: mr. mr. D.A.N. Bartels).

Procesverloop

Opposante heeft tegen uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam van 4 maart 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 10 november 2022 heeft de rechtbank het beroep hierover niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 26 september 2023 op zitting behandeld. Opposante is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) opposante in verzuim is geweest het verschuldigde griffierecht van € 365,- binnen de gestelde termijn te voldoen.
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 november 2022 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3. Daarvóór moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of het verzet ontvankelijk is.
4. Een verzetschrift dient op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Awb in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb gronden te bevatten.
5. Opposante heeft bij schrijven van 19 december 2022 verzet ingesteld. Daarin staat:
“Inzake uw dossier met het(de) nummer(s) 22/1184 bericht ik hierdoor tijdig
alsvolgt: hierdoor wordt verzet aangetekend op nader te formuleren gronden
tegen uw uitspraak d.d. 10 november jl.”
(..)
6. Omdat het verzetschrift geen gronden bevat heeft de rechtbank de gemachtigde van opposante bij aangetekende brief van 2 januari 2023 verzocht dit verzuim binnen twee weken te herstellen.
7. Bij brief van 16 januari 2023, door de rechtbank ontvangen op 1 februari 2023, heeft de gemachtigde van opposante hierop gereageerd. Hij schrijft daarin:

Inzake uw dossier(s) met het(de) griffienummer(s) 22/1184 bericht ik u hierdoor in ieder geval tijdig (lees in voorkomend geval: nogmaals c.q. per omgaande) alsvolgt n.a.v. uw recente missive: de gronden van het verzet zijn reeds genoemd, worden hieronder gemoreerdén zullen tijdig t.z.t. nader worden aangevuld. Akkoord?”
(..)
Ook voor het overige bevat deze brief geen gronden.
8. De gemachtigde van opposante heeft bij brief van 5 juli 2023, door de rechtbank ontvangen op 10 juli 2023, een aantal verzetsgronden naar voren gebracht.
9. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van opposante niet tijdig gronden van verzet heeft ingediend. De brief van 5 juli 2023 en wat de gemachtigde hierover ter zitting naar voren heeft gebracht is buiten de gegeven herstelverzuimtermijn van twee weken en dus te laat. Niet gebleken is dat het verzuim verschoonbaar is. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
10. De gemachtigde van opposante heeft verder verzocht om immateriële schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
11. In verzetzaken hoeft de rechtbank alleen op een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te beslissen als op het moment van de uitspraak op het verzet anderhalf jaar is verstreken sinds de indiening van het beroep [1] . Dat is in deze zaak het geval. De rechtbank dient daarom te beslissen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
12. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ruim vier maanden is overschreden, zodat opposante in beginsel recht heeft op schadevergoeding. Spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure worden bij opposante verondersteld.
13. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door opposante afgegeven volmacht blijkt dat toekenning van het door de gemachtigde van opposante ingediende verzoek tot schadevergoeding er niet toe leidt dat opposante wordt gecompenseerd voor de door haar geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie, maar wat als compensatie van spanning en frustratie van opposante is bedoeld, zou in werkelijkheid winst voor (de BV van) de gemachtigde vormen. Het door de gemachtigde ingediende verzoek om schadevergoeding dient dus niet het belang van opposante. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 januari 2024.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad, 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712