Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[belanghebbende 1],
[belanghebbende 2],
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind ingesteld door de overledene in zijn testament van 8 september 2016. Het bewind was ingesteld omdat de erflater zijn zonen ongeschikt achtte om de nalatenschap zelf te beheren en om schuldeisers te weren.
Verzoekster, de echtgenote van de erflater, vroeg om opheffing van het bewind. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van onvoorziene omstandigheden, aangezien de omvang van de nalatenschap bekend was bij de erflater en niet significant was gewijzigd sinds het testament. Wel achtte de rechtbank aannemelijk dat de zonen, de rechthebbenden, de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze kunnen beheren.
Tijdens de zitting bleek dat de zonen geen schulden hebben, hun eigen financiën goed beheren en de verzoekster ondersteunen bij haar geldzaken. Ook wordt bij de afwikkeling van de nalatenschap professionele hulp ingeschakeld. De rechtbank vond daarom geen reden het bewind te handhaven en besloot het testamentair bewind op te heffen.
Uitkomst: Het testamentair bewind wordt opgeheven omdat de rechthebbenden de goederen zelf verantwoord kunnen beheren.