Partijen waren gehuwd van 1977 tot 2002 in gemeenschap van goederen en maakten bij echtscheiding geen afspraken over pensioenverevening. Eiser vordert betaling van de helft van het ouderdomspensioen dat gedaagde tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, gebaseerd op berekeningen van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW).
De kantonrechter staat de eiswijziging van eiser toe en oordeelt dat gedaagde erkent dat eiser recht heeft op pensioenverevening. Er is discussie over het precieze bedrag, waarbij de rechter uitgaat van de meest recente en volledige brief van PFZW van 27 maart 2024. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 5.849,45 bruto tot 1 april 2024 en daarna € 213,82 bruto per maand, vermeerderd met wettelijke rente en indexering.
Gedaagde kan geen beroep doen op verrekening met pensioenrechten van eiser of een oude vordering uit de echtscheidingsbeschikking, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd of verjaard zijn. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.