Op 28 april 2024 vond in het uitgaanscentrum van Rotterdam een incident plaats waarbij de medeverdachte een geladen vuurwapen bij zich had. De verdachte, zijn tweelingbroer, werd ervan verdacht medepleger te zijn van het voorhanden hebben van dit vuurwapen. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzitting verklaarde de medeverdachte dat het vuurwapen van hem was en dat hij het onder de mat aan de bijrijderskant van de auto had verstopt. Getuigen zagen de medeverdachte het wapen uit zijn jaszak pakken en doorladen. De verdachte en medeverdachte ontkenden dat de verdachte op de hoogte was van het vuurwapen. Camerabeelden bevestigden de verklaringen, maar lieten niet zien wat er in de auto gebeurde.
De rechtbank oordeelde dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachte bewust was van het vuurwapen. De afstand tussen verdachte en medeverdachte tijdens het incident en het ontbreken van bewijs dat verdachte het wapen zag, leidde tot vrijspraak. Het ten laste gelegde feit was niet wettig en overtuigend bewezen.