Verzoekster heeft een dwangakkoord aangevraagd op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een schuldregeling waarbij zij 28,33% aan preferente en 14,17% aan concurrente schuldeisers betaalt. Deze regeling is gebaseerd op haar Participatiewet-uitkering en een saneringskrediet dat in één keer aan schuldeisers wordt uitgekeerd.
Tien van de elf schuldeisers gingen akkoord, maar één schuldeiser, met een vordering van €321,66 (4,6% van de totale schuld), weigerde. Deze schuldeiser verweerde zich door te stellen dat zij eerder al akkoord was gegaan met een schuldregeling, maar verscheen niet ter zitting.
De rechtbank oordeelt dat de weigering van deze schuldeiser niet redelijk is gezien het geringe aandeel in de schuld, de instemming van de overige schuldeisers en de medische situatie van verzoekster die vrijstelling van sollicitatieplicht heeft tot september 2025. De rechtbank stelt vast dat het voorstel het maximaal haalbare is en dat het saneringskrediet een gunstiger resultaat oplevert dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.
Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser tot instemming met het akkoord, veroordeelt deze in de proceskosten en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.