Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden het vonnis tot ontruiming van hun woonruimte uit te voeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming.
De rechtbank heeft vervolgens het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de lopende huurtermijnen zullen voldoen. Tijdens de zitting bleek dat de huur voor juli en augustus 2024 niet of niet volledig was betaald, ondanks dat verzoekers zouden beschikken over voldoende inkomsten. Verzoekers zijn bovendien niet verschenen om hun verzoek toe te lichten.
Gezien het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen en het ontbreken van bewijs van betaling, weegt dit zwaarder dan het belang van verzoekers om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart zij verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet.