Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn huurwoning uit te voeren. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie nu de ontruiming op korte termijn dreigt.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien het feit dat verzoeker vrijwel de gehele huurachterstand heeft betaald, inclusief een betaling van €3.000,-, en budgetbeheer heeft, acht de rechtbank aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Daarom weegt het belang van verzoeker zwaarder en wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen. Tevens wordt de huurovereenkomst verlengd voor de duur van deze voorziening. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. De rechtbank legt een voorwaarde op dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen tijdig worden betaald.