ECLI:NL:RBROT:2024:8923

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
C/10/643859 / HA ZA 22-698
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting handtekeningen en terugbetaling leningen tussen vader en zoon

In deze civiele procedure tussen vader en zoon stond centraal of de betwiste handtekeningen op twee leningscontracten uit 2018 en 2020 door zoon waren geplaatst. De rechtbank benoemde een forensisch schriftdeskundige die concludeerde dat het waarschijnlijker dan niet was dat zoon de handtekeningen had gezet.

Vader stelde dat hij in totaal €155.995,61 aan zoon had uitgeleend, waarvan zoon op 15 december 2021 een betaling van €20.000 had gedaan. De rechtbank achtte het bewijs van vader voldoende en stelde vast dat zoon het resterende bedrag nog niet had voldaan.

Over de leningen was een contractuele rente van 3% per jaar overeengekomen, welke ook werd toegekend. De rechtbank veroordeelde zoon tot betaling van de hoofdsommen met rente, verminderd met de reeds gedane betaling, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gezien de familierelatie tussen partijen werden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Zoon wordt veroordeeld tot betaling van het restant van de leningen met rente minus reeds gedane betaling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/643859 / HA ZA 22-698
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te Rotterdam,
eiser,
advocaat mr. D.R.D. van Lenningh te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.R. Feenstra te Amsterdam.
Partijen worden hierna vader en zoon genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 21 februari 2024 van deze rechtbank en de daarin vermelde processtukken;
  • het deskundigenbericht van 6 juni 2024;
  • de conclusie na deskundigenbericht van vader;
  • de loonbepaling van 2 juli 2024, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige is bepaald op € 3.218,60.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis

2.1.
In het tussenvonnis van 21 februari 2024 is [naam], forensisch schriftexpert, als deskundige benoemd. Aan de deskundige zijn de volgende vragen voorgelegd:
Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening boven de naam van zoon op de laatste pagina van de overeenkomsten van 4 november 2018 en 28 oktober 2020 door zoon zijn geplaatst? Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
Het deskundigenbericht
2.2.
Het deskundigenbericht van 6 juni 2024 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Aan de hand van het mij ter beschikking gestelde materiaal ben ik van mening:
1. Dat het
waarschijnlijkeris dat de betwiste handtekening op de overeenkomst van 4 november 2018 (deelonderzoek 1) is geplaatst door zoon [gedaagde] dan dat de handtekening is geplaatst door een willekeurig ander persoon.
2. Dat het
veel waarschijnlijkeris dat de betwiste handtekening op de overeenkomst van 28 oktober 2020 (deelonderzoek 2) is geplaatst door zoon [gedaagde] dan dat de handtekening is geplaatst door een willekeurig ander persoon.
Van de gelegenheid opmerkingen te maken die nog van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maak ik geen gebruik.”
De standpunten van partijen
2.3.
Vader stelt zich op het standpunt dat hij geslaagd is in het leveren van bewijs van zijn stelling dat beide overeenkomsten door zoon zijn ondertekend.
2.4.
Zoon heeft niet op het deskundigenbericht gereageerd.
De beoordeling van de rechtbank
2.5.
In het deskundigenbericht heeft de deskundige verslag gedaan van het door hem verrichte onderzoek, zijn bevindingen en de daaruit door hem getrokken conclusies. De deskundige heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het conceptrapport. Alleen door zoon zijn vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. De deskundige heeft op deze vragen en opmerkingen gereageerd in het definitieve rapport.
2.6.
De rechtbank constateert dat de deskundige de opmerkingen van zoon over het conceptrapport heeft gelezen en in het definitieve deskundigenbericht daarmee rekening heeft gehouden voor zover relevant.
2.7.
Uit het deskundigenbericht blijkt dat en op welke manier de deskundige de handtekeningen heeft onderzocht. Met betrekking tot de overeenkomst van 4 november 2018 concludeert de deskundige dat het waarschijnlijker is dat de betwiste handtekening is geplaatst door zoon dan dat een willekeurig ander persoon deze handtekening heeft geplaatst. Met betrekking tot de overeenkomst van 28 oktober 2020 concludeert de deskundige dat het veel waarschijnlijker is dat de betwiste handtekening is geplaatst door zoon dan dat een willekeurig ander persoon deze handtekening heeft
geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat vader hiermee zijn stelling dat de handtekening onder de overeenkomsten van 4 november 2018 en 28 oktober 2020 van zoon
afkomstig is, heeft bewezen. Zoals reeds in het tussenvonnis van 28 juni 2023 is overwogen, betekent dit dat vader een totaalbedrag van € 155.995,61 (€ 146.085,31 + € 9.910,30) aan zoon heeft uitgeleend. Verder is reeds door de rechtbank vastgesteld dat zoon op 15 december 2021 een betaling heeft gedaan op de eerste lening van een bedrag van € 20.000,00, die met inachtneming van artikel 6:44 BW Pro zal worden toegerekend. Het resterende bedrag van de twee leningen is door zoon nog niet voldaan.
2.8.
Voor beide overeenkomsten geldt dat een contractuele rente is overeengekomen van 3% per jaar over het geleende of het restant daarvan. Deze rente zal ook worden toegekend.
2.9.
De vordering van vader zal dan ook worden toegewezen als in het dictum bepaald.
De proceskosten
2.10.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt zoon om aan vader te betalen een bedrag van € 146.085,31, vermeerderd met de contractuele rente van 3% per jaar daarover vanaf 4 november 2018 tot de dag van volledige betaling, en te verminderen met een betaling van € 20.000,00 op 15 december 2021 welk bedrag conform artikel 6:44 BW Pro dient te worden toegerekend;
3.2.
veroordeelt zoon om aan vader te betalen een bedrag van € 9.910,30, vermeerderd met de contractuele rente van 3% per jaar daarover vanaf 28 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
(3304/1885)