De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de onroerende zaak, bestaande uit bedrijfshallen met kantoor- en buitenruimte, vastgesteld op €6.363.000,-. Na bezwaar werd deze waarde bij het bestreden besluit verlaagd naar €6.067.000,-. Eiseres betwistte deze waarde en voerde aan dat de oppervlakte te hoog was vastgesteld en dat de waardering onvoldoende rekening hield met belangrijke objectkenmerken.
De rechtbank oordeelde dat de oppervlakte van 12.128 m², berekend op basis van bouwtekeningen, voldoende was onderbouwd en dat eiseres deze niet aannemelijk had betwist. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met een bouwkostencalculatie en vergelijkingsobjecten, maar deze onderbouwing was onvoldoende. De bouwkostencalculatie was incompleet en de vergelijkingsobjecten verschilden significant qua grootte en nutsvoorzieningen, zonder dat hier voldoende correcties voor waren gemaakt.
Eiseres had slechts een gedeeltelijk taxatierapport overgelegd met een andere waardepeildatum, wat niet bruikbaar was voor de huidige waardebepaling. Omdat geen van beide partijen een waarde aannemelijk had gemaakt, stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €5.700.000,-. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig aangepast. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.